woensdag 30 december 2009

Oordeel niet

Ik heb de laatste tijd o.a. blogs geschreven over ‘communicatie’ en over ‘een gesprek van hart tot hart’. Hierover schrijft ook Ton Huttenga, studentenpredikant in Groningen, in de Reformatie: ‘Oordeel niet – aanvaardend pastoraat’.[1]

Huttenga begint zijn artikel met te zeggen, dat het belangrijk is dat je als predikant (maar het geldt m.i. ook breder) écht dichtbij de mensen bent. Daarmee bedoelt hij niet zozeer dat je fysiek, geografisch dichtbij iemand bent. Het gaat hem hier om wat ik zou willen noemen: een gesprek van hart tot hart. Hoe doet je dat nou? Huttenga geeft het volgende antwoord: “Één van de belangrijkste middelen om te bereiken dat je écht dichtbij bent, is dat je niet oordeelt.” Hij verwijst daarbij naar het verbod van Jezus: “Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt.”[2]

Het verbod (‘oordeel niet’) combineert Jezus met een waarschuwing: “opdat er niet over je geoordeeld wordt.” Vervolgens vult Jezus die waarschuwing concreet in: “Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden.” Volgens Marcus ging Jezus nog een stapje verder: “(…) en er zal je zelfs meer worden toebedeeld.” Met dat ‘meer’ wordt volgens Huttenga niet alleen het positieve, maar ook het negatieve bedoeld. Zijn conclusie is vervolgens: “Blijkbaar kent het goddelijk recht een dimensie, die boven het menselijke niveau uitgaat. God kan onvergelijkelijk goed zijn, maar ook verontwaardigd (…) op een manier waarop geen mens dat kan.”

Vervolgens stelt hij de vraag: “Hoe gaan wij met dit verbod om? Als ik het goed zie, staan deze woorden vaak in een spanningsveld.” Jezus verbiedt ons om te oordelen. En Jezus zegt: “Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer”. Wat is nu de bedoeling? “Als we naar Matteüs 7 kijken, blijkt die bedoeling te zijn dat we ons niet schuldig maken aan een verkeerd oordeel.” Vlak na het verbod ‘oordeel niet’ vertelt Jezus over de splinter en de balk in het oog van je broeder of zuster en in je eigen oog. Het gaat er hier om, dat Jezus van ons vraagt ons oordeel op te schorten. “Jezus leert ons in Matteüs 7 niet te ‘overtuigen’, maar om het overhaastige oordeel na te laten.”

“Opvallend, dat we bij dit bekende woord zo vaak afdwalen. Altijd weer bang om ‘te gemakkelijk’ te worden. Hoe komt dat? Het heeft te maken met de erfelijke belasting van een orthodoxe kerk. (…) De serieuze inslag ontaardt zo gauw in onverdraagzaamheid. En wat je dán niet aanvaardt is niet zonde tegen God, maar ‘zonde tegen jou.’ Oordeel niet. Je bent God niet!”

[1] De Reformatie jg 85 – nr 12 – 19 december 2009
[2] Matteüs 7 : 1, 2 - Lucas 6 : 37

woensdag 23 december 2009

Communicatie: met elkaar in gesprek gaan

In cv•koers (12/2009 – 1/2010) is een reportage opgenomen met de titel: 'De werkplaats van Waarom Jezus?' Deze reportage gaat over de EO’s internetcursus ‘Waarom Jezus?’. Een cursus die als doel heeft om mensen met interesse in God via het internet stapje voor stapje verder te helpen. Daarbij worden de cursisten ondersteund door een zgn. e-coach.

Bij de opzet van deze cursus is nagedacht over de manier waarop de boodschap optimaal overgebracht kan worden op de cursist. De mensen achter deze cursus zeggen daar o.a. het volgende over: “Christenen zijn vaak gewend om al snel met bijbelteksten te komen en te gaan preken, maar dat trekken mensen in de 21e eeuw niet meer.” “(…) dat is heel snel de reflex van ons als christenen. Ja, aanwijzen wat fout is. Terwijl het ermee begint dat je met iemand in gesprek gaat: wat beweegt iemand, waarom gelooft hij of zij in bepaalde zaken? Dan ontstaat er ook ruimte om te vertellen waar je zélf in geloofd.

Wat blijkt communicatie toch lastig en moeilijk te zijn. Wat een frustratie en energie kost het om verkeerde of gebrekkige communicatie achteraf weer ten goede te doen keren (voor zover dat mogelijk is). Verkeerde of slechte communicatie kan denk ik ook een vorm van ‘geestelijke armoede’ zijn. Als dat zo is, dan is het niet voldoende om alleen maar rekening te houden met spelregels voor een goede communicatie. Er zal dan ook gewerkt moet worden aan deze ‘geestelijke armoede’. Gelukkig wil de Geest daarbij helpen.

dinsdag 22 december 2009

Communicatie – nieuwe inzichten

In de laatste cv•koers (12/2009 – 1/2010) is een interview met Erik Borgman opgenomen: ‘Stop met presteren, leer ontvangen’. In dit interview doet hij een uitspraak die m.i. ook het onderwerp ‘communicatie’ raakt.

“(…) als mens is het wezenlijk dat je de ontmoeting met ‘het andere’ of ‘de ander’ aankunt, dat je in staat bent je tot nieuwe inzichten te laten verleiden. Wie dat niet kan of wil, zit onwrikbaar vast in zijn eigen gelijk. Dat strijdt bovendien met het hart van het christelijk geloof, vindt Borgman: God is altijd groter dan wij, groter dan onze voorstellingen en ‘waarheden’.”

Als iemand onwrikbaar vast zit in zijn eigen gelijk, dan is communicatie nauwelijks zinvol te noemen. Dan blijft het bij het uitwisselen van standpunten. Dit is een vorm van communicatie die m.i. geen echt gesprek genoemd kan worden.

maandag 21 december 2009

Goede communicatie - feedback

Dit weekend gebruikte ik o.a. om de nieuwe cv•koers (12/2009 – 1/2010) te lezen. Vooral de onderdelen die gaan over ‘communicatie’ vielen mij op. Reden daarvoor is, dat ik de afgelopen tijd bij herhaling m.i. verkeerde of gebrekkige vormen van communicatie meemaakte. Dus niet zozeer inhoudelijk maar kwa vorm, wat betreft de spelregels die van toepassing zijn op goede communicatie.

In cv•koers schrijft Tjeerd Boersma over feedback. Feedback betekent volgens het artikel “terugkoppelen”. “De ander attent maken van zijn of haar gedrag en het effect daarvan op jezelf.

Bij feedback gaat het dus om gedrag en niet om de persoon die het gedrag vertoond. Dat wordt m.i. vaak vergeten. Mensen voelen zich soms verrassend snel persoonlijk geraakt door een vraag of een opmerking over hun gedrag of over wat ze zeiden of schreven. Het blijkt moeilijk te zijn om gedrag en persoon (identiteit) te scheiden. Ik denk, dat iemand van wie de identiteit stevig geworteld is in Christus gemakkelijker persoon en gedrag kan scheiden. Hij (of zij) zal eerder op de juiste manier met feedback om kunnen gaan. Immers, wat er ook over zijn gedrag, gesproken of geschreven woorden gezegd wordt, zijn positie (identiteit) is daarvan niet afhankelijk.

zaterdag 19 december 2009

Onze liefdestrouw en die van Christus

Onze liefdestrouw in het huwelijk wordt in de Bijbel vergeleken, gelijkgesteld, gespiegeld aan de liefdestrouw van Christus. Is onze liefdestrouw zoals de trouw van Christus? Een trouw tot in de dood? Trouw beloof je aan God en zo aan elkaar. Ware trouw is niet afhankelijk van het humeur, de zwakheden of zelfs de zonden van de ander. Zijn wij als Jezus naar elkaar toe? Verstaan wij de diepte, hoogte en breedte van de redding van Christus voor ons? Ons gedrag laten wij wel vaak afhangen van het gedrag van anderen. Dat past echter niet bij een zijn als Jezus.

“’Hoofd’ en ‘hulp’ dragen beiden het beeld van God. Hoofd ben je niet voor jezelf, hulp ook niet. Maar je geeft je leven voor het welzijn en het behoud van de ander. Dat beloof je aan God en zo aan elkaar. Die belofte duurt je leven lang. Een echtscheiding, hoe ingrijpend ook, doet haar niet verdwijnen. Weet aan Wie je hebt beloofd! Zelfs in geval van overspel, hoe ontluisterend ook, zul je toch vooral denken aan het behoud van de ander. Hoe kun je dat? Door te knielen bij het kruis, bij Hem die zich overgaf voor plegers van overspel, voor dieven, voor leugenaars en dat soort mensen.” Bij Christus begint jouw trouw. “In zijn vernedering leer jij dienen. In zijn overgave leer jij er altijd te zijn voor je man, je vrouw.” Als je werkelijk de trouwe liefde van Christus kent en begrijpt, zul je door de kracht van de Geest er echt kunnen zijn voor je man of vrouw.

De Reformatie, jg 85 – nr 5 – 31 oktober 2009: Trouw ben je niet zomaar.

woensdag 16 december 2009

Heroriëntatie op liefdestrouw van Christus

Het gaat dus volgens Keller om een heroriëntatie op de radicale liefdestrouw van Christus. Maar, wat houdt die liefdestrouw van Christus nu in? Waar gaat het dan om?

Jezus Christus werd zeer onrechtvaardig behandeld. “Voortdurend werden zijn woorden verdraaid. Mensen wilden niet luisteren, ze wilde niet door Hem worden verlost. Ze daagden hem voortdurend uit. Hij werd geslagen, terwijl Hij geen kwaad had gedaan. Hij werd op gruwelijke wijze vermoord, terwijl Hij zich over velen had ontfermd.”

“Intussen had Hij de macht om op ieder moment legioenen engelen te ontbieden. Hij had zichzelf kunnen bevrijden en al zijn vijanden ter plekke kunnen verteren.”[1] Christus had veel redenen om af te haken en tegen zijn Vader te zeggen: Vader, de mensen zoeken het maar uit. Ze willen mij niet. Ze verdienen het niet. Ik stop ermee! Maar Hij ging toch door tot de dood aan het kruis. Hij was trouw aan God en aan mensen. “Onze Heiland was daarin niet afhankelijk van hoe mensen zich gedroegen.” Een zin om te herhalen en te overdenken: Jezus’ trouw was niet afhankelijk van het gedrag van mensen! Als dat wel zo was geweest, dan had hij het bijltje er vast heel snel bij neergegooid. Jezus’ trouw leidde uiteindelijk tot zijn afschuwelijke dood. Als dat geen radicale liefdestrouw is, wat dan wel?

[1] De Reformatie, jg 85 – nr 5 – 31 oktober 2009: Trouw ben je niet zomaar.

maandag 14 december 2009

Huwelijksmoeiten en Christus

Wat doe je als er bij mensen sprake is van huwelijksproblemen? Moet je ze het zevende gebod voorhouden? Bij het lezen van ‘De vrijgevige God’ van Keller viel mij op, dat hij een andere insteek kiest. Hij schrijft o.a. dit: “De oplossing voor een slecht huwelijk is heroriëntatie op de radicale liefdestrouw van Christus in het evangelie. ‘Gij zult niet echtbreken’ krijgt betekenis in de context van deze liefde van Christus, vooral aan het kruis, waar hij u volledige trouw bewees. Alleen wanneer je de trouwe liefde van Christus kent, zul je werkelijk stand houden tegen wellust. Zijn liefde geeft vervulling – hetgeen voorkomt dat u van seksualiteit dingen verwacht die alleen Jezus kan geven.”[1]

Hij gaat dan zo verder: “Waar gaat het dus om? Een trouw (…) mens word je niet van een verdubbelde inspanning om morele regels te volgen. Alle verandering komt veeleer door een dieper verstaan van de redding door Christus, en door een leven vanuit de veranderingen die dit verstaan in uw hart bewerkt.”

Keller noemt in dit verband Efeziërs 5. “In Efeziërs 5 spreekt Paulus de gehuwden toe, maar speciaal de mannen. Veel van zijn brieflezers hadden vanuit hun heidense achtergrond nog een kwalijke kijk op het huwelijk.” Het is geen dreigen of puur vermanen wat Paulus doet in Efeziërs 5. Nee, hij houdt de brieflezers de redding door Jezus voor. Jezus aanvaardde de verantwoordelijkheid voor zijn bruid (AG: de kerk). Hij gaf zich over om haar te beschermen. Hij gaf zijn leven prijs om haar te behouden. Die redding verbindt Paulus met de liefde van een man voor zijn vrouw. De liefdestrouw in een huwelijk dient een afspiegeling te zijn van de redding door, de liefdestrouw van Jezus.

[1] De vrijgevige God – Tim Keller, pagina 94.

donderdag 10 december 2009

Onze hardleersheid en halsstarrigheid

Afgelopen tijd las ik het evangelie volgens Marcus door. Wat mij o.a. opviel is hoe moeizaam Jezus zijn boodschap over de bühne kon krijgen bij zijn discipelen.

Jezus verwijt de discipelen regelmatig hardleersheid en halsstarrigheid. Regelmatig lees je vragen van Jezus aan zijn discipelen zoals: Jullie hebben oren, maar horen niet? Jullie hebben ogen, maar zien niet? Geloven jullie nog steeds niet? Begrijpen jullie het dan nog niet? Ontbreekt het jullie aan inzicht? Het teken van de vermenigvuldiging van de broden en de vissen vindt zelfs twee keer plaats en toch begrepen de discipelen toen nog niet dat Jezus tot alles in staat was.

Moet je voorstellen, de discipelen volgden Jezus dag en nacht en zagen de meest bijzondere wonderen en tekenen. De discipelen hoorden de meest goede, aansprekende, bijbelgetrouwe preken die ze zich maar wensen konden. De ‘predikant’ was de meest volmaakte die er op aarde heeft rondgelopen. Een meer authentieke prediker is er voor en na Jezus niet meer geweest. En toch die verwijten van Jezus aan de discipelen tot in het laatste hoofdstuk van Marcus aan toe. En toch die hardleersheid en halsstarrigheid.

Hoe kijkt Jezus naar de huidige discipelen, de navolgers van Christus van nu? Doen wij het veel beter dan de discipelen van toen of zou Jezus ons ook regelmatig hardleersheid en halsstarrigheid verwijten? Ik zou niet weten waarom wij nu anders handelen dan de discipelen van toen. Ook mij en ons valt regelmatig hardleersheid en halsstarrigheid te verwijten. Als ik hierover nadenk, dan maakt dat mij bescheiden. Dan wil ik niet te snel ‘grote woorden’ spreken. Dan wil ik begrip opbrengen voor andere broers en zussen die ook last hebben van hardleersheid en halsstarrigheid, omdat ik geen haar beter of anders ben dan zij.

Moeten we daarom de problemen in de kerk en in ons leven maar bagatelliseren? Dat zou wel een begrijpelijke reactie zijn: het is altijd al zo geweest, dus laten we er ons maar bij neerleggen, het is niet anders. De volmaaktheid zullen we hier nooit bereiken. Dat zal een ‘realist’ ons voorhouden. Nee, ik denk dat dat te gemakkelijk is. Jezus maakt toch niet voor niets de discipelen (en ons) verwijten? Ik zie maar één oplossing voor mijzelf en anderen: we moeten ons tot in het diepst van onze ziel laten aanraken door de Geest van Jezus. De Geest die ons doet focussen en fixeren op Jezus! Alleen zo worden wij vernieuwd, veranderd, kunnen wij stap voor stap over onze hardleersheid heen groeien. Dat is toch geen idealisme? Denk niet te klein over het werk van de Geest!

zaterdag 5 december 2009

Vernieuwing van identiteit: als Jezus zijn

Bas Luiten schrijft in de Reformatie van 14 november 2009 over het ‘Met Christus omkleed’ zijn. Dit naar aanleiding van Galaten 3 : 27. “U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.

Luiten zegt daar o.a. het volgende over. ‘Wie je bent, blijft bestaan, en toch komt er iemand over je die meer is dan jij. Er ontstaat een gezamenlijk bestaan, een twee-eenheid, tussen Christus en ieder die in Hem wordt ondergedompeld in de doop. Je doet dus nooit meer iets alleen. En andersom, Jezus doet het samen met jou. (…) Het is de bedoeling als mensen naar mij kijken dat ze meer van Hem zien en minder van mij.’

Luiten wijst op de actieve vorm waarin deze tekst is geformuleerd; ik heb mij met Christus omkleed. Maar doe ik dit zelf? Kan ik mezelf met Christus omkleden? ‘God is in de doop de handelende persoon. Hij is de enige die een mens in Christus kan begraven en vervolgens kan laten opstaan (Rom. 6). (…). Maar gelovig daarvoor kiezen doe je wel zelf. (Let wel: niet uit jezelf, maar wel zelf). Het kleed impliceert de eigen verantwoordelijkheid die we houden. Onze identiteit wordt nieuw, we worden er niet van beroofd. Het is een complete wedergeboorte.’

Vervolgens is het ook de kunst om voortaan elkaar zo te zien. ‘(…) eerst Christus zien, en pas dan en zo die ander.’ In Christus verdwijnen de verschillen (Jood of Griek, slaaf of vrije, man of vrouw: Galaten 3 : 28). “(…) het is nog steeds een kwestie van op de juiste wijze kijken naar elkaar, eerst Christus ontdekken in elkaar.’

vrijdag 27 november 2009

Een gesprek van hart tot hart

Op de weblog ‘Wij kiezen voor vriendschap’ van Jos Douma las ik hoe hij in het kader van Wij kiezen voor eenheid deel nam aan een retraite. Op de blog schrijft Jos: “Voor mijzelf was vooral een nieuw moment de ontdekking hoe wezenlijk vriendschap is voor processen waarin kerken en kerkmensen elkaar zoeken. (…) Deze retraite was eigenlijk een lang biddend gesprek van hart tot hart, waarin we elkaar op een dieper, spiritueel niveau leerden kennen. (…) Wel hebben we gezegd en ook geproefd hoe belangrijk onderlinge vriendschap is, een spirituele vriendschap die een afspiegeling is van de liefdevolle vriendschap in de drie-enige God.

Een gesprek van hart tot hart. Wat is dat mooi als je een gesprek hebt van hart tot hart. Toen ik dit las, vroeg ik mij af: Waarom lukt een gesprek van hart tot hart met de ene geestelijke broer wel en met de ander niet? Nu laat die vraag zich in het korte bestek van een blog niet uitputtend beantwoorden. Er zijn boeken over volgeschreven.[1] Ik denk wel dat Jos in zijn blog ingrediënten van het antwoord geeft. Een retraite [2] kan een randvoorwaarde zijn voor een gesprek van hart tot hart. Jos noemt vriendschap als een belangrijk ingrediënt. Ja, vriendschap en echte verbondenheid is wezenlijk. Een gesprek van hart tot hart kan niet in de vorm van een soort ‘loopgravenoorlog’ gevoerd worden. Echte vriendschap en verbondenheid betekent dat je je kwetsbaar opstelt, dat liefde en ontvankelijkheid het gesprek bepalen. Een vriendschap die een afspiegeling is van de vriendschap die er is tussen de Personen van de drie-enige God. Een ander ingrediënt dat Jos noemt is het elkaar leren kennen op een dieper, geestelijk niveau. Elkaar leren kennen, echt geïnteresseerd zijn in de ander en in de (geestelijke) drijfveren en motieven van die ander. Samen leden van hetzelfde (geestelijke) huisgezin met dezelfde Vader. Een geestelijk gesprek waarin de Geest domineert en dus volop vruchten van de Geest zichtbaar zijn. Wie zou niet verlangen naar zulke gesprekken?

[1] Een voorbeeld van zo'n boek is: Recht uit je ziel – communicatie zoals God het bedoeld heeft, Larry Crabb
[2] De ontmoeting – 12 uren met Jezus, retraiteboek van Jos Douma
Jos geeft in dit boek aan het woord ‘retraite’ de betekenis van “dat je gedurende kortere of langere tijd met alle dagelijks dingen stopt om je te bezinnen op wat echt belangrijk is in je leven (…)”. Retraite heeft met rust en stilte te maken.

woensdag 18 november 2009

Christus lijden en mijn lijden

De lezing van Matteüs 26 : 36 – 46 deed mij ook denken aan de lezing ‘Verder met het Evangelie van Jezus Christus’ van Wolter Rose. In die lezing zegt hij o.a. dat wij samen met Christus kinderen van God zijn. Hij is de natuurlijke Zoon van God, wij aangenomen (geadopteerde) zonen en dochters. En samen met Christus zijn wij erfgenamen. Rose schrijft dan (n.a.v. Romeinen 8) dat wij zullen delen in de glorie én in het lijden van Christus. “Die glorie — dat zien we wel zitten. Maar dat lijden — moet dat nu echt?”

“Jezus maakt er geen geheim van. Wat voor de Messias, de Christus, geldt, geldt ook voor een christen: het lijden hoort er bij. Net als Jezus mogen wij — zegt Paulus — ook Abba, Vader, tegen God zeggen. Wij horen bij de familie. Samen met Christus. Het lijden hoort onlosmakelijk bij Christus zijn, en zo hoort het lijden nu ook onlosmakelijk bij christen zijn. Het lijden blijft lijden, maar het krijgt een nieuwe dimensie. Het blijft een worsteling. Ook al kun je de vraag, “Waarom?”, niet beantwoorden, één ding weet je als erfgenaam van God, samen met Christus, wel: het lijden dat mij overkomt is op de een of andere manier niet zinloos. En het lijden heeft niet het laatste woord. Wij zijn erfgenamen, samen met Christus: we delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn glorie.”

Mijn grootste hartenwens is, dat ik ben en steeds meer word als Jezus. Jezus moest lijden in de hof van Getsemane (Matteüs 26 : 36 – 46) en ook ik en anderen kennen moeiten en lijden. Moet dat nu echt? “Petrus zei: de Messias lijden? Geen denken aan.” In het genoemde Bijbelgedeelte lezen we dat Jezus zelf ook met die vraag geworsteld heeft: moet dat nu echt? Ook ik denk: ik wil het niet, ik ga de moeiten en het lijden uit de weg (voor zover dat mogelijk is). Jezus’ worsteling is mijn worsteling. Bij Jezus verscheen een engel uit de hemel om hem kracht te geven. Bij mij is er de Geest van Jezus die mij wil en zal helpen. God dank.

zondag 15 november 2009

Jezus en ik

Iets wat mij uit ‘In alle redelijkheid’ van Tim Keller regelmatig te binnen schiet is wat hij zegt in hoofdstuk 12. “(…) ik veranderde pas toen ik besefte dat ikzelf in Jezus’ verhaal voorkwam (en hij in het mijne). (…) het evangelie is niet zomaar een ontroerend stuk fictie over iemand anders. Het is een waar verhaal over ons. Wij komen erin voor.

Ik moest er aan denken bij het lezen van Matteüs 26 : 36 – 46 [1]. Daar bidt Jezus, vlak voor zijn gevangenneming, zijn Vader om de beker van hem weg te nemen. Hij was toen “dodelijk bedroefd” en stond “doodsangst” uit. Ook stond hij er alleen voor: zijn discipelen vielen bij herhaling in slaap ondanks de oproep van Jezus om te bidden. Wat triest en verdrietig! Wat een lijden!

Toen dacht ik aan wat Keller schrijft over Jezus' lijden en kruisdood. Het is niet een verdrietig en ontroerend stuk fictie, maar Jezus doorstond die doodsangsten vanwege mij! Ik had doodsangsten moeten uitstaan en een kruisdood moeten sterven, maar Hij deed het. Voor mij (en vele anderen). Jezus' lijden komt zo heel dicht bij. Raakt mij. Ik kan niet op een afstandje naar deze (bekende) geschiedenis kijken, nee ik kom voor in dit verhaal. Het gaat hier over mij. Hij onderging dit voor mij. Is het niet een groot, volstrekt uniek en kostbaar wonder?

[1] Deze geschiedenis is ook beschreven in Marcus 14 : 32 – 42 en Lucas 22 : 39 – 46.

maandag 9 november 2009

De ene ‘overdoper’ is de andere niet (2)

Ik wil graag nog wat verder doordenken en schrijven over wat ik genoemd heb ‘de ene overdoper is de andere niet’. Misschien sprak ik in m’n eerste blog over dit onderwerp ook wel te veel in raadselen. Met de titel heb ik geprobeerd aan te geven, dat de ene overdoper niet gelijk behoeft te zijn aan de andere. Laten we eerst eens wat verschillende dopen op een rijtje zetten:
1. kinderdoop;
2. geloofsdoop (in plaats van kinderdoop);
3. eerst kinderdoop + later geloofsdoop (met diskwalificatie van kinderdoop);
4. eerst kinderdoop + later doop (waarde kinderdoop niet ter discussie).

De situatie bij 3 is een andere dan bij 4. Bij situatie 3 zet iemand een streep door z’n kinderdoop en wil de betrokkene deze via een geloofsdoop als het ware overdoen. Bij situatie 4 blijft de betrokkene staan achter de kinderdoop en wil met de tweede doop een (hernieuwde) keuze maken voor de Heer. Ondanks dat beide situaties m.i. heel verschillend zijn worden deze broers en zussen veelal op één hoop geveegd en allemaal ‘overdopers’ genoemd. Bij situatie 3 zal het gesprek uitkomen op de verschillen tussen kinderdoop en geloofsdoop. Bij situatie 4 staat de kinderdoop niet ter discussie en is dus ook geen onderwerp van gesprek. Daar kan het gesprek alleen gaan over de tweede doop.

Situatie 4 is de context van hoofdstuk 21 uit het boekje van Adrian Verbree ‘Over dopen’. Verbree schets een fictief verhaal waarin sprake is van zo’n tweede doop. Hij schrijft: “Maar … nu het kiezen voor Christus zo nadrukkelijk hun leven is gaan bepalen, willen ze die keus ook graag zelf onderstrepen door nogmaals de doop te ontvangen.” Verbree zegt daarvan: “Het is iets fijns wanneer mensen, wanneer dan ook in hun leven, (weer) een bewuste keuze voor Christus willen maken.” Dus met het motief van de tweede doop kan Verbree instemmen. Ook geeft de uitwerking in hoofdstuk 21 aan, dat Verbree anders met situatie 3 omgaat dan met situatie 4. Hij maakt nadrukkelijk een onderscheid tussen 3 en 4 en veegt dus niet heel deze groep bij elkaar en plak daar het etiket 'overdoper' op.

Er blijven m.i. dan nog twee zaken over waar over doorgesproken moet worden: de vorm van deze tweede doop en de locatie (eigen gemeente of niet). Wat de vorm betreft geeft Verbree (en anderen) aan geen voorstander te zijn van het toepassen van hetzelfde teken als bij de kinderdoop. Daar heeft hij m.i. goede argumenten voor. Het noemt de mogelijkheid een alternatief symbool te ontwikkelen. Een betekenis van de kinderdoop is, dat je opgenomen bent als (geadopteerd) kind in Gods huisgezin. Dat huisgezin kent gezinsleden van over de hele wereld en vanuit allerlei kerken, maar wordt vooral geconcretiseerd, werkelijkheid in je eigen gemeente. Het ligt dan ook zeker voor de hand om je bewuste keuze voor Christus, de bevestiging van je plaats in Gods huisgezin tot uitdrukking te brengen in je eigen gemeente (locatie). Dat betekent wel, dat die eigen gemeente zo’n ritueel, zo’n tweede doop (zonder de vorm van de doop) moet willen toestaan.

zaterdag 7 november 2009

De ene ‘overdoper’ is de andere niet (1)

Ik ben de afgelopen periode intensief bezig geweest met ‘de doop’ en dan vooral de ‘overdoop’. Niet omdat ik dat een boeiend onderwerp vind (daarmee zeg ik dus niet, dat het geen belangrijk onderwerp is), maar omdat een broer in de gemeente zich liet overdopen. In verband daarmee las ik o.a. het boek ‘Over dopen’ van Adrian Verbree.

Verbree zegt in genoemd boek allerlei wetenswaardige zaken. In hoofdstuk 21 gaat hij specifiek in op het onderwerp ‘De doop op herhaling?’. Hij schrijft daarin o.a. het volgende: “Het is iets fijns wanneer mensen, wanneer dan ook in hun leven, (weer) een bewuste keus voor Christus willen maken. En de wens dat op een of andere manier symbolisch te laten uitkomen, is ook te respecteren. Er is niets mis met iemand die op dit punt een kind van zijn tijd is en waarde hecht aan symboliek. Het zou daarom fijn zijn wanneer deze kwestie niet verzandt in een ‘mag wel, mag niet’ rond een tweede doop. Is het niet mogelijk alternatieve symbolen te ontwikkelen? Dan wordt het gevaar van een onbedoeld vertroebelen van een door God geclaimd teken (AG: de doop) bezworen.

Helaas verzandt zo’n kwestie in de praktijk wel heel snel in een ‘mag wel, mag niet’ rond een tweede doop. Soms heb ik daarbij het gevoel (dat gevoel kan dus niet juist zijn) dat mensen zo’n broer liever de gemeente zien verlaten, dan hem vast te houden. Dat mensen nooit nagedacht hebben over een driewegen pastoraat laat staan dit model toepassen. Dat mensen niet openstaan voor verschillen tussen de ene ‘overdoper’ en de andere. Dat we het in de kerk gemakkelijker vinden om een ander (i.c. de ‘overdoper’) aan te spreken op zijn verantwoordelijkheden dan je als kerklid en als kerkenraad bewust te zijn van het onvoldoende handen en voeten geven van je eigen verantwoordelijkheden op dit gebied. Ds. Marten de Vries schreef het al in 2006 in het ND: moeite met de kinderdoop vraagt onderwijs. Zijn wij daarin niet tekortgeschoten?

8 nov. 2009: Ik moet nog iets toevoegen aan deze blog. Verbree schrijft in hoofdstuk 21 over mensen die de waarde van de kinderdoop niet ontkennen en die ook niet van zins zijn de kerk te verlaten.

maandag 2 november 2009

Vroeger was alles beter

De laatste tijd is er een aantal artikelen verschenen in de Reformatie over onrust in de GKv. Zo schreef Ad de Bruijne het artikel ‘Versimpeling en vertrouwen’. Daarin schrijft hij o.a. over het haast romantische, ideaalbeeld dat sommigen schetsen van het vrijgemaakte verleden.

Als voorbeeld noemt hij dan artikelen zoals geschreven door Durk Jan Bolt. De man achter de website eeninwaarheid.nl. De Bruijne schrijft: “Wie Bolts artikelen leest, stuit daarin op een haast romantische tekening van zijn vrijgemaakte verleden. Hij heeft het over een tijd waarin ‘we lange jaren heerlijk hebben samengeleefd’. ‘Er was liefde tot de Here. Een tere omgang met Hem en een zorgvuldige eerbiediging van zijn Woord… Broeders en zusters met wie je je diep verbonden wist… Uit die liefde tot de Here en zijn kerk bloeide ook het verdere leven op… Zo ontstond het rijke gereformeerde leven in tientallen jaren na de Vrijmaking…’.” De Bruijne concludeert dan: “Als je het verleden zo idealiseert, kan het niet anders of veel zaken vandaag doen pijn en veroorzaken een vertrouwensbreuk.”

Is dat niet één van de (wellicht onbewuste) drijfveren van verontruste broers en zussen in de kerk? Dat ze denken dat de GKv het prima voor elkaar had? Maar kijk dan eens eerlijk naar het verleden! Er is veel aan te wijzen wat niet goed of niet optimaal was. Soms historisch verklaarbaar en begrijpelijk, maar niet goed. Onze ouders hebben met veelal goede intenties de kerk van hun tijd vorm gegeven. Wij zullen ze er niet minder lief om hebben. Maar die ‘oude’ kerk is voor ons, bouwers van de ‘nieuwe’ kerk zeker geen maatstaf. Geen ideaal. Wij moeten en mogen in onze tijd de kerk proberen vorm te geven. Alleen al vanwege het feit dat het nu een heel andere tijd is, zal die kerkvorm op allerlei onderdelen anders moeten zijn. Niet als een doel op zich, maar meer als een logisch gevolg van de tijd waarin wij nu leven. Met het inzicht van vandaag zien we ook de fouten uit het verleden en die vragen om correctie. Er is geen reden om verkrampt vast te houden aan het verleden. Er is ook geen reden om alles uit het verleden zomaar over boord te zetten.

zondag 1 november 2009

Identiteit en gedrag

Ik wil graag nog even stilstaan bij het interview met Selma Noort: ‘Met alle tanden bloot’. In het interview wordt haar de vraag gesteld: “Laat het geloof u los?” Zij antwoord dan: “Nou, de moraal niet. Wat goed en kwaad is, de naastenliefde, dat zit in mij verankerd. Het is zelfs een beetje moralistisch, (…).

Wat triest dat iemand haar identiteit in Christus verloren heeft, maar er nog wel christelijk gedrag op nahoudt. Het is de wereld op z’n kop. Christelijk gedrag, de moraal, een besef van goed en kwaad, dat is wat er van haar geloof is overgebleven. Werd de God als vriend, als Vader (uit de gelijkenis van de verloren zoon) ingewisseld voor een God die gehoorzaamheid wilde (zoals bij de oudste zoon uit deze gelijkenis)? Werd het haar hardhandig bijgebracht, zoals het interview suggereert?

Keller schrijft daarover in zijn boek ‘De vrijgevige God’. Hij zegt daarin o.a. dit: “Velen hebben de denkvorm van het moreel conformisme beproefd, raakten erdoor vermorzeld, en maakten toen een dramatische stap naar een leven van zelfontdekking. (Volgens Keller staat de oudste zoon voor de weg van het moreel conformisme en de jongste voor de weg van de zelfontdekking. Beiden hebben geen vriend, geen Vader nodig.) Is Selma vermorzelt door de denkvorm van het moreel conformisme en bracht dat haar tot een leven van zelfontdekking? Een leven zonder een (hemelse) Vader die haar vriend wil zijn?

woensdag 28 oktober 2009

Vriendschap en identiteit (2)

In mijn vorige blog schreef ik dat als ik zou moeten kiezen tussen de identiteit van een zondaar en die van een vriend van God, ik zou kiezen voor die van een vriend van God. Wim reageert op deze blog (zie zijn reactie onderaan de blog) en noemt dit het kiezen tussen twee karikaturen. Maar zijn dit wel twee karikaturen? Een karikatuur is een overdreven voorstelling van een zaak of persoon. De door mij geschetste voorstelling komt toch naar voren in het interview met Selma Noort? Selma heeft als tienjarig meisje een beeld van zichzelf als vriend van God. Bij het horen van de woorden ‘gij zijt allen zondaars’ wordt ze heel kwaad. Waarom? Ik denk omdat ze haar identiteit, haar zelfbeeld in duigen ziet vallen. Ze heeft denk ik het gevoel dat ze haar identiteit als vriend van God moet inwisselen voor die als zondaar.

Het gaat mij in mijn vorige blog niet om de verhouding tussen zonden en genade. Het gaat mij om de verhouding tussen identiteit en gedrag. Dat was vooral ook aan de orde in de lezing van Arie de Rover tijdens het mannenweekend. Ik ben het helemaal eens met de stelling dat ons gedrag zondig is en tot de jongste dag zal blijven. Maar hoe zit het met onze identiteit? Is onze identiteit die van een zondaar of wordt onze identiteit ten diepste bepaald door wie wij zijn in Christus? Ben ik een zondaar (identiteit) of een aangenomen kind van God (identiteit) die zondigt (gedrag)? Die vraag meen ik te lezen in het interview met Selma Noort.

Ik denk dat die vraag belangrijker is, dan wij ons vaak realiseren. Arie hield ons voor dat er een relatie bestaat tussen identiteit en gedrag. Je identiteit werkt door in je gedrag (en niet andersom). Als iemand (bewust of onbewust) de identiteit van een zondaar ‘aanneemt’ zal dat dus zijn gedrag beïnvloeden. De zondaar (identiteit) zal eerder geneigd zijn zondig gedrag laten zien dan iemand die begrijpt wat het is om kind, vriend van God te zijn. Iemand die als Jezus is (op Jezus lijkt), zal ook (met vallen en opstaan) het gedrag van Jezus vertonen. Dat kan niet anders.

Wim zegt een tegenstelling te lezen in mijn blogs tussen zonde en genade. Maar leest hij het als een tegenstelling of maak ik er ook echt een tegenstelling van? Het gaat mij er om, dat er juist zorgvuldig omgesprongen wordt met begrippen als zonde en genade. Daarom spreekt het onderscheid goedkope en kostbare genade mij zo aan. Daarom ben ik soms beducht op een teveel benadrukken van de zonde. Daarom denk ik ook dat we een onderscheid moeten maken tussen identiteit en gedrag. Op Jezus gaan lijken is toch niet allereerst iets dat betrekking heeft op gedrag, maar op je identiteit (die vervolgens weer doorwerkt op je gedrag)? Daarmee wordt genade niet goedkoop. Kind van God zijn is alleen mogelijk door genade. Door de oneindig hoge prijs die Jezus voor mij betaald heeft.

maandag 26 oktober 2009

Vriendschap en identiteit (1)

Ik las afgelopen weekend in de ZoZ-bijlage van het ND een interview met Selma Noort: ‘Met alle tanden bloot’. In het interview las ik dit: “Ik weet nog dat de dominee van de kansel riep ‘gij zijt allen zondaars!’. Ik werd zo kwaad. Ik was een jaar of tien en God was mijn grote, glimlachende vriend in de hemel. Hij was nou juist degene die niet zei ‘jij bent lang en stom’. Nee, voor mij had Hij de bloemen gemaakt, het gras en de bomen. Allemaal voor mij. Hij was mijn vriend.

Ik vind het een mooie illustratie bij mijn vorige blog ‘God als je vriend’. Heeft de dominee vertelt in zijn preek dat zonde staat in de context van Gods vriendschap met Selma? Zonde werd en wordt zovaak als een losstaande ‘grootheid’ gepresenteerd, met alle risico’s van dien. Selma is nu bijna vijftig jaar oud en ze heeft haar vriendschap met God verloren.

Ik denk ook dat het een mooie illustratie is bij het mannenweekend van afgelopen vrijdag en zaterdag. Vrijdagavond hield Arie de Rover een lezing over ‘christelijke identiteit’. Selma dacht als tienjarig kind aan God als haar vriend. God was haar vriend en zij mocht Zijn vriend zijn. God was een vriend die haar accepteerde en respecteerde zoals ze was. Dat was haar identiteit in haar ogen. De dominee daarentegen bracht haar iets anders bij: je bent een zondaar. Jouw identiteit is de identiteit van een zondaar. Als ik zou moeten kiezen tussen het geloof van de dominee of dat van (de tienjarige) Selma, dan wist ik wel wat ik zou kiezen. Wie zou niet willen geloven als een kind?

woensdag 21 oktober 2009

God als je vriend

In de ZoZ-bijlage van het ND van zaterdag 10 oktober las ik een interview met Willem Jan van Asselt. In het interview geeft Van Asselt aan dat één thema hem al dertig jaar boeit: vriendschap met God. ‘Het verbond van vriendschap, dat God helemaal uit zichzelf met mensen sluit, moet de kern van de theologie zijn, (…).’ “God verkiest zichzelf te openbaren als een God van vriendschap. Dat is overweldigend. Niet: mag Ik jouw vriendje zijn? Het is niet klef. Maar: Ik ben jouw vriend! Ik noem jullie geen slaven meer, zegt Jezus, maar vrienden.”

Van Asselt geeft ook aan, waarom dit perspectief belangrijk is. “Voor wie denkt vanuit Gods vriendschap zijn zonde en genade geen onderdeel van een statisch systeem, maar van een relatie. Gods toorn is de woede van een vriend. Je gaat ook anders met elkaar om. Het wonder van Gods vriendschap kweekt een bepaalde spirituele luisterhouding. (…) Wat mensen nodig hebben in deze tijden van eenzaamheid, is dat ze weten dat ze gekend en bemind zijn. Wanneer Gods liefde en vriendschap je overweldigt, word je er juist door in beweging gezet.“

Dat is misschien wel de grootste ontdekking die ik in mijn geloofsleven heb gedaan (tot nu toe): het geloof is allereerst en bovenal een relatie tussen God en mensen. God wil een vriendschap­pelijke relatie met mij hebben! God is geen abstracte grootheid, maar een Iemand die echt om mij geeft. Die liefdevol met mij wil omgaan. De woorden van Van Asselt zijn mij uit het hart gegrepen.

zaterdag 17 oktober 2009

De relatie kerk – levensvernieuwing (2)

In mijn vorige blog schreef ik over de relatie tussen het leeglopen van kerken en het niet komen tot een werkelijke vernieuwing van het leven. Dit leeglopen kan te maken hebben met zowel het vertrek van kerkgangers als ook met te weinig of geen aanwas van nieuwe kerkleden. Ook voor deze laatste categorie gaat de hiervoor genoemde relatie tussen leegloop en tekort aan vernieuwing op. Anders gezegd: een tekort aan vernieuwing doet bestaande kerkgangers afhaken én zorgt ervoor, dat er geen nieuwe leden bijkomen.

Ook hierover zegt Graham Tomlin wetenswaardige zaken.[1] “Als een christen leert zijn leven onder de regering van Jezus Christus te leiden, als hij leert zijn perspectief van geld, seks, macht, tijd en eeuwigheid te verleggen, dan zal hij een persoon worden die vragen oproept bij zijn 21e-eeuwse niet-christelijke buren. Een gemeenschap die sterk door diepe en toegewijde sympathie wordt gekenmerkt, door liefde, meeleven en nederigheid, is zeer aantrekkelijk. Ook dit roept vragen op, die leiden tot een gelegenheid om te verklaren waarom het zo gaat. Hoe dan ook, het idee is dat degene buiten de kerk gedrag moeten zien dat opvallend en onverwacht is.”

Ook is er nog een ander verband: “Kerken waar de leden geen geleidelijke verandering verwachten die tot een meer volwassen leven leidt (AG: geestelijke vernieuwing van het leven) en tot geïntegreerde, authentieke levens, evangeliseren niet, hoezeer de top dat ook opdraagt. Als kerkleden weinig in de kerk vinden wat hun leven van maandag tot zaterdag vervult, dan is het niet aannemelijk dat ze anderen meebrengen om daaraan deel te nemen.” Dus de kerkganger spant zich niet in om nieuwe kerkleden te werven.

Op die manier is er sprake van een drievoudig effect als er geen werkelijke (geestelijke) vernieuwing van het leven is: bestaande kerkgangers haken af, er komen geen nieuwe kerkgangers bij en van de kerkgangers die blijven, gaat geen wervingskracht uit naar nieuwe kerkgangers. Hoe belangrijk is het om als kerkganger en als kerk langzaamaan door Gods Heilige Geest weer heel te worden, op Jezus te gaan lijken.

[1] Een kerk die prikkelt – Graham Tomlin

woensdag 14 oktober 2009

De relatie kerk - levensvernieuwing (1)

Taizébroeder Frank zei in het al eerder door mij genoemde interview ook nog iets anders wat mijn aandacht trok: “Ik begrijp Nederland niet meer zo goed. Mensen zijn analyserend en polemiserend en leven niet meditatief. Aan de ene kant klagen over het leeglopen van kerken, aan de andere kant niet tot werkelijke vernieuwing van het leven komen.” Deze broeder legt zo een verband, een relatie tussen het leeglopen van kerken en het niet komen tot een werkelijke vernieuwing van het leven. Een geestelijk leven, een leven waarin van geestelijke groei sprake is, een leven waarin de glorie van de Heer zichtbaar wordt, een op Jezus lijkend leven.

Iemand die zich ook bezig heeft gehouden met de relatie kerk – levensvernieuwing is Graham Tomlin.[1] Hij noemt een reden waarom kerken niet aanspreken (en dus leeglopen): “Er is niet zozeer gebrek aan waarheid – (…) – maar er mist een link tussen de woorden die geuit worden en de levensstijl die daaruit voortkomt: er is gebrek aan authenticiteit, aan diepgang, aan verbinding tussen woord, beeld en werkelijkheid. Botweg gezegd lijkt kerkbezoek soms geen verandering te brengen in de levensstijl van mensen.”

Tomlin geeft ook aan, waarom de relatie kerk – levensvernieuwing een logische relatie is. De kerk moet op Jezus lijken. “Niet alleen de individuele christenen – (…) – maar de kerk als geheel is altijd bedoeld om mensen aan Jezus te doen denken, om de wereld tot haar ware bestemming te roepen, om haar aan de ware koning te herinneren, en om haar een beeld van menselijk leven te schetsen, zoals dat van oorsprong was bedoeld.” De kerk moet dus op Jezus lijken én de kerkganger moet op Jezus lijken. Hoe zal de kerk op Jezus lijken, als er bij kerkgangers weinig werkelijke vernieuwing van het leven zichtbaar wordt? Daarom is levensheiliging, spiritualiteit, een geestelijk leven, geestelijke groei zulke essentiële thema’s voor kerken. Broeder Frank houdt ons de spiegel voor. Hoe is het bij ons gesteld met de kerk en met de kerkganger? Ik stel voor dat wij bij het beantwoorden van deze vraag beginnen met de kerkganger.

[1] Een kerk die prikkelt – Graham Tomlin

zaterdag 10 oktober 2009

Zonde en genade

Taizébroeder Frank zei in het in mijn vorige blog genoemde interview dit: “Natuurlijk zijn mensen tot het verkeerde geneigd, maar in de protestantse traditie hebben we dat wel een beetje te veel benadrukt. Ik bén een zondaar, daarom is de Heer mijn Heer. Maar Hij heeft ons iets heel moois gegeven. Hij geeft ons kansen om goed te doen. Dan moeten we ons niet te veel zorgen maken over wat we niet goed doen. Gisteren ligt al begraven in Gods vergeving, wij mogen vandaag ontvangen als een nieuw cadeau. Vier dat, ondanks de donkere zijde die ook zichtbaar wordt.

Dit doet mij denken aan wat Peterson schrijft in ‘David en God – aardse spiritualiteit voor gewone gelovigen’ over de zonde van David en Batseba. Hij zegt in dat verband het volgende: “Davids zonde, (…), wordt met grote voorsprong overwonnen door Gods genade. David zonde mag en moet niet vergoelijkt worden, maar ze is minuscuul, vergeleken met Gods redding. Het is altijd verkeerd teveel aandacht aan onze zonde te geven; (…). Onze schuld is niet interessant; Gods werk is interessant. Zonde maakt je kleiner, minder menselijk en is al gauw vervelend. Nadat ze erkend en beleden is, kunnen we er het best zo weinig mogelijk woorden meer aan vuil maken.” Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen!

Peterson schrijft dat de plaats van de zonde niet de plaats van beschuldiging of veroordeling, maar van redding is. “Het evangelie komt hier in zicht, niet als beschuldiging, maar als erkenning en uitnodiging. Erkenning: ik ben degene wiens schuldgevoel een besef van God oproept. Uitnodiging: Jezus is degene die God aan me voorstelt; ik wist niet, dat God zo dichtbij was, zo vriendelijk, zo uitnodigend! En Hij brengt me in een persoonlijke relatie met Hem in liefde en verlossing.”

Toevoeging 19 oktober: Broeder Frank heeft het over een teveel benadrukken van de zondige aard van de mens. Het deel dat ik van Peterson citeer gaat ook over een teveel aandacht geven aan (onze) zonden. Dat was de relatie die ik meende te zien tussen broer Frank en Peterson. Daarmee ontken ik niet dat Peterson nog veel meer ook heel belangrijke zaken geschreven heeft over zonden (en andere onderwerpen). Ik zoomde in deze weblog alleen in op het teveel benadrukken van, aandacht geven aan de zonden. Allerlei andere aspecten laat ik daarbij buiten beschouwing, maar zijn niet minder relevant.

woensdag 7 oktober 2009

Taizébroeder Frank

In het ND van zaterdag 3 oktober staat een interview (ZoZ portret) met Taizébroeder Frank: Moslims naar Allah leiden – en wachten. Boeiend om zijn verhaal te lezen. Wat mij opvalt in het interview is, de wijze waarop broeder Frank bepaalde zaken onder woorden brengt. Die woorden getuigen voor mij van diepe wijsheid. Hieronder heb ik enkele van zijn uitspraken op een rijtje gezet. Uitspraken die mij raakte, opvielen bij het lezen van het interview

“We zingen een psalm en houden een korte lezing, het liefst een refreintekst, die je makkelijk in gedachten houdt. Zoals: Verblijd u in de Heer altijd, verblijd u, zeg ik u. Niet om ons op te peppen, daar zijn Bijbelteksten niet voor, wel om met vreugde en vertrouwen te kunnen leven.”

“Geestelijk leven met de Heer leer je door met Hem samen te zijn. Hij is een mysterie en een vriend. Hij is God die alles te boven gaat en dichtbij is: Frank ik ken je precies, je zwakten, je goede kanten – ver-trouw-op-mij.”

“Op mooie en minder mooie dagen kun je zijn aanwezigheid opmerken in alledaagse gebeurtenissen, terwijl je Hem zoekt in grote wonderen.”

“Een mens moet eerst zichzelf worden, voordat hij zich kan geven.”

“Ik ken donker en licht in mijn eigen leven en ben er altijd mee bezig de Heer de kans te geven het licht te versterken.”

Er zijn nog twee uitspraken van broeder Frank die mij opvielen, maar daar wil ik in aparte blogs nog bij stilstaan.

zaterdag 3 oktober 2009

Balans


Ik las afgelopen weekend het boek ‘Gods plannen voor jou’ van J.I. Packer over ‘balans’. Balans is volgens Packer één de geheimen van het christelijke leven. Packer schrijft dat op elk gebied we twee extremen van eenzijdigheden moeten zien te vermijden. “Wij christenen zijn in feite hopeloos slecht in het vermijden van extremen. Wij zijn als de slinger van een klok, constant van het ene extreme naar het andere zwaaiend. Het is de kracht van reactie, misschien wel de sterkste negatieve kracht in een mensenleven, die deze zwaaiing veroorzaakt.”

Hij beschrijft ook hoe dat in zijn werk gaat: “we zien iets wat we niet leuk vinden, of denken dat we dat zien en we nemen er afstand van zoals van een slang in het gras. We blijven ernaar kijken, terwijl we zo veel mogelijk afstand proberen te scheppen. Door op deze manier naar achteren te lopen, bereiken we al snel een extreem tegengestelde van hetgeen waarvoor we op de vlucht sloegen, hoewel we de extreme aard ervan waarschijnlijk niet eens zien, omdat we volledig in beslag genomen worden door hetgeen waarbij we uit de buurt proberen te blijven. Dus een bepaalde vorm van eenzijdigheid leidt tot een tegengestelde eenzijdigheid. Er wordt niet gezocht naar balans en die wordt dus ook niet gevonden.”

Ik denk dat dit een belangrijke boodschap voor ons is. Een boodschap die niet alleen bestemd is voor de ‘vernieuwers’ onder ons, maar ook voor de mensen die alles zoveel mogelijk bij het oude willen laten. Beide groepen lopen het risico om een extreme positie in te nemen. Daarbij moeten we ons realiseren dat iets wat oud en vertrouwd is ook eenzijdig kan zijn. Laten we in de Geest van Jezus oude en nieuwe zaken onderzoeken op eenzijdigheden. Trouwens, als je leeft in de Geest van Jezus verval je zo wie zo minder snel in eenzijdigheden. Ook krijg je meer oog voor eenzijdigheden. Heer, vervul ons met de Geest van Jezus.

woensdag 30 september 2009

Goedkope genade: een halve waarheid ….

Ik schreef in mijn blog ‘Goedkope óf kostbare genade’ over hoe fel Bonhoeffer is op goedkope genade. Ook Packer reageert zo fel in zijn boek ‘Gods plannen voor jou’ als het over deze zaak gaat. Hij zegt daar het volgende over: “Een halve waarheid die als een hele behandeld wordt, wordt al snel een hele leugen; daarom moeten wij die het goede nieuws van Gods genade verkondigen geen genoegen nemen met alleen maar het halve verhaal. Maar dat doen we wel!

Zo begint hoofdstuk 9: met recht een forse binnenkomer en een vliegende start van een nieuw hoofdstuk. Packer legt het vervolgens zo uit: “Terwijl we de relationele verandering bejubelen die Christus teweegbrengt (…) zien we de echte verandering over het hoofd, de verandering van zienswijze en karakter, die genade zou moeten veroorzaken.” Met de “relationele verandering” bedoelt Packer de rechtvaardiging en vergeving van onze zonden. Met de “verandering van zienswijze en karakter” bedoelt hij het gaan lijken op Jezus. Dat Christus gestalte in ons krijgt.

Hier zie je weer het onderscheid tussen goedkope en kostbare genade terugkomen. Als we de genade alleen omarmen om gerechtvaardigd te zijn voor God, dan is dat op een goedkope wijze omgaan met genade. Als we werkelijk beseffen hoe kostbaar genade is, dan leidt dat tot navolging van Christus. Op het gaan lijken op Jezus. Kostbare genade betekent vergeving én vernieuwing (verandering).

zaterdag 26 september 2009

Het juk van Jezus


In de Reformatie [1] staat een artikel van ds. Mark van Leeuwen over rust. In dit artikel staat hij stil bij de bekende tekst uit Matteüs 11 : 28 - 30: “ (28)’Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. (29) Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, (30) want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

In dit Bijbelgedeelte wordt het menselijk juk gezet tegenover het juk van Jezus. Het menselijk juk kan zijn: onrust over het komende oordeel van God (vers 20 – 24), gevoel van tekort schieten, falen. Het gevoel je te moeten bewijzen, persoonlijk, in het geloof of in de kerk. Of geestelijke dwang: in Jezus’ tijd eisten de geestelijke leiders van het volk, dat ze de wet en nog 613 andere geboden moesten houden, anders stond je plek, je positie bij God ter discussie. Of je bent verslaafd aan iets slechts of aan iets goeds. “Je werk, waardering, je relatie, zelfs je gehoorzaamheid aan God kan het zijn.”

Jezus brengt zijn rust ons leven binnen. Hoe? Door zijn juk op je te nemen. Dat lijkt nogal tegenstrijdig. Rust door iets te doen voor Jezus. Ontspanning door inspanning. Het juk van Jezus op je nemen, betekent dat je naast hem gaat lopen. Jezus (na)volgt. Daarbij mag die inspanning ook "ontspannend" zijn doordat je altijd mag terugvallen op werk dat af is (door Jezus). “De rust, dat je in je geloof mag bouwen op Jezus die het niveau heeft gehaald dat jij had moeten halen. Op Jezus, die alles heeft gedaan wat jij had moeten doen. Op Jezus, die al het ‘moeten’ uit je leven haalt.” Daarnaast stimuleert en helpt God je om Jezus (na) te volgen door het werk van de Heilige Geest. De Geest wil dolgraag ons maken tot trouwe (na)volgers van Jezus.

[1] De Reformatie, jg 84 – nr 46 – 12 september 2009, pagina 773 – 774.

zaterdag 19 september 2009

Geloofsgroei

Hoe kijk ik, kijken wij aan tegen geloofsgroei? Wat is geloofsgroei eigenlijk? Is het wel nodig om na te denken over geloofsgroei? Van den Belt zegt dat het nuttig is voor een christen om zich af te vragen of hij groeit.[1] Maar dat kan zomaar de reactie oproepen: Nou moet ik ook nog groeien in het geloof en ik moet al zoveel. Een oproep die ook gevoed kan worden door onze allergie voor alles wat met ‘moeten’ te maken heeft.

Maar wat is geestelijke groei of geloofsgroei eigenlijk? “Geestelijke groei kenmerkt zich door het vergeten van het eigenbelang in het belang van het koninkrijk van God.” Groeien in het geloof betekent niet dat ik steeds groter moet worden, maar dat Christus steeds groter wordt in mijn leven. De verantwoordelijkheid om geestelijk te groeien is vooral een oproep om het werk van de Heilige Geest niet te belemmeren.

Bij geloofsgroei gaat het er dus om, dat niet ik maar Christus op de eerste plaats staat in mijn leven. Niet ik moet allerlei acties ondernemen, groeien, veranderen, maar de Heilige Geest wil graag de ruimte krijgen in mijn leven. Niet ik, maar de Geest. Ik kan het ook niet (onmacht), maar de Geest is tot grootste dingen in staat. Hij wil de volheid van Christus in mijn leven tot uitdrukking brengen. De volheid van Christus in mijn leven! Ja, ik mag op Christus gaan lijken.

“De mens wordt niet vastgelegd op zijn onmacht het goede te doen, maar krijgt zijn verantwoordelijkheid op zo’n manier aangewezen, dat hij uitgenodigd wordt zich aan het vernieuwende werken van Gods Geest toe te vertrouwen.” Bij het nadenken over geloofsgroei zal de vraag dus ook altijd moeten zijn: Geef ik de Geest wel voldoende de ruimte in mijn leven? Belemmer ik het werk van de Geest in mijn leven? Vertrouw ik mijn leven wel voldoende toe aan de Geest of ben ik toch weer zelf heel druk met mijn geloofsgroei bezig? Dat laatste (ik ben bezig) is eindeloos vermoeiend. Het eerste (geef de Geest de ruimte) is mateloos bevrijdend.

[1] In het katern van het ND van vrijdag 11 september staat een recensie van het boek ‘Bloeien, snoeien en groeien’ van H. van den Belt. De titel van deze recensie is: ‘Richting geven aan geloofsgroei’.

Lees over de vervulling met de Geest ook mijn blogs 'Stromen van levend water (1)' en 'Stromen van levend water (2)'.

woensdag 16 september 2009

Begrijpen wij genade?

Ik eindigde m’n vorige blog met de vraag: Hebben wij echt begrepen hoe kostbaar genade is? Het lijkt mij geen overbodige vraag. Bonhoeffer en Arie de Rover laten zien hoe vlak onze beleving van genade kan zijn. Hoe theoretisch en oppervlakkig. Ook zal de mens van nature (!) gaan voor goedkope genade en dus niet voor kostbare genade. Begrijp ik, begrijpen wij werkelijk wat genade betekent?

Ik moest hieraan ook denken toen ik Kolossenzen 1 las: “Overal in de wereld draagt het vrucht en groeit het, ook bij u, vanaf de dag dat u over Gods genade hoorde en de ware betekenis ervan begreep.” Gods genade hoorde en de ware betekenis ervan begreep. Niet alleen horen over genade maar ook de echte betekenis begrijpen. Alleen door horen én begrijpen ontstaat vruchten van het geloof en groei. Ontstaan veranderingen in je (geloofs)leven.

Ook las ik nog eens terug wat ik op mijn blog ‘Veranderen door te begrijpen’ schreef. Ik schrijf daar dat Keller de gelijkenis van de zaaier (Matteüs 13) aanhaalt in zijn boek ‘De vrijgevige God’: “Drie groepen mensen ‘ontvangen’ het evangelie en nemen het aan, maar bij twee daarvan groeit geen veranderd leven op. De enige groep mensen bij wie een veranderd leven opkomt, heeft niet harder gewerkt of is niet gehoorzamer geweest; het ‘zijn zij die het woord horen en begrijpen’.” Dat zijn mensen die begrijpen hoe kostbaar de genade is. Hoe ernstig God de zonde neemt en dat hij ons er alleen van redden kon tegen oneindige kosten voor hemzelf. Een veranderend leven heeft alles te maken met horen én de echte betekenis begrijpen. Begrijp ik, begrijpen wij echt wat genade is?

zaterdag 12 september 2009

Goedkope óf kostbare genade

In het artikel ‘Oeverloze morele discussies? Wedergeboorte!’ van Arie de Rover komen de begrippen goedkope genade en kostbare genade voor. Hij leent deze begrippen of omschrijvingen van Dietrich Bonhoeffer (uit het boek Navolging). Kostbare genade vormt daarbij een tegenstelling met goedkope genade. Arie de Rover verklaart ‘kostbare genade’ met omschrijvingen als het diep geraakt zijn door de genade, de doorleving van genade.

Bonhoeffer legt in hoofdstuk 1 van zijn boek ook uit wat goedkope en wat kostbare genade is. Hij zegt daar o.a. het volgende over: “Goedkope genade betekent genade als leer, als principe, als systeem; (…). Goedkope genade betekent rechtvaardiging van de zonde en niet van de zondaar. Goedkope genade is genade zonder navolging, genade zonder kruis, genade zonder de levende, mensgeworden Jezus Christus. Kostbaar is de genade bovenal daarom, omdat ze God veel gekost heeft, omdat ze God het leven van zijn Zoon gekost heeft (…) en omdat voor ons niet goedkoop kan zijn, wat voor God duur is. Genade is zij vóór alles daarom, dat God zijn Zoon niet te kostbaar achtte voor ons leven, maar Hem overgaf voor ons. Kostbare genade is menswording van God.”

Het valt mij op dat Bonhoeffer zo fel is op goedkope genade. “Goedkope genade is de doodsvijand van onze kerk. Is de prijs die wij heden ten dage moeten betalen met de ineenstorting van de georganiseerde kerken, iets anders dan een noodzakelijke consequentie van de te goedkoop verworven genade? Onbarmhartig is de goedkope genade zeker ook voor de meesten van ons persoonlijk geweest. Ze heeft ons de weg tot Christus niet geopend, maar afgesloten. Ze heeft ons niet opgeroepen tot de navolging, maar verhard in de ongehoorzaamheid. Het woord van de goedkope genade heeft meer christenen te gronde gericht als welk gebod van de werken ook.”

Nu schreef Bonhoeffer in een heel andere tijd dan die van ons, maar ik kan de vraag toch niet van mij afzetten: Wat betekent genade voor mij, voor ons? En hoe gaan wij om in de kerk met genade? Hebben wij echt begrepen hoe kostbaar genade is? Daar de volgende keer meer over.

woensdag 9 september 2009

Het nieuwe leven

In het artikel ‘Morele discussies? Wedergeboorte!‘ van Arie de Rover gaat het dus over morele discussies (ethiek) en wedergeboorte (nieuwe leven). Vooral over hoe die twee zich ten opzichte van elkaar verhouden. Rolle Barth heeft daar ooit een mooi artikel over geschreven: ‘Het nieuwe leven van zwerfkind José’. Barth gebruikt het verhaal van zwerfkind José om het uit te leggen.

Christen zijn betekent voor Barth leven in een persoonlijke relatie met God. Vanuit deze relatie, deze verbondenheid wordt je leven vernieuwd met als doel dat je op Jezus gaat lijken. Een basiskenmerk voor dit nieuwe leven is onze liefde voor de Vader en het diepe verlangen om te lijken op Jezus Christus. Maar, hoe gaat zoiets dan? “God zelf stimuleert deze liefde door het werk van de Heilige Geest (…). De Heilige Geest is als het ware de verbindende schakel naar de christelijke ethiek.” Een christelijke levenswandel is vrucht van het kind-aan-huis-zijn bij God en geen voorwaarde om thuis te komen.

Met andere woorden, een christelijke levenswandel, het leven volgens de huisregels van God is het gevolg (resultaat) van een liefdesband met God. “In de christelijke ethiek gaat het vóór alles om de relatie. Alleen de verbondenheid met Jezus Christus brengt ons tot navolging in vrijheid. De vernieuwing van ons leven, waarover Jezus spreekt, is een beweging van binnenuit naar buiten toe. Vernieuwing van ons hart leidt tot verandering van onze daden en gewoontes. Vernieuwing van het hart is een groeiproces door omgang met de opgestane Heer (…).”Het is een groeiproces waarbij de Heilige Geest een belangrijke rol speelt (wedergeboorte).

De aandacht zal dus vooral gericht moeten zijn op de binnenkant, ons hart. Het praten over de buitenkant heeft alleen zin als er sprake is van een doorleefde liefdesband met God. Een relatie die mogelijk is geworden door genade en verzoening. Als die liefdesband ontbreekt of onder druk staat, dan zal daar het gesprek over moeten gaan en niet over de buitenkant (gedrag, houden van regels). Volgens mij is dat wat Arie de Rover ons duidelijk heeft gemaakt in genoemd artikel.

zaterdag 5 september 2009

Moreel gesprek “ergerniswekkend”


Arie de Rover noemt in zijn artikel ‘Morele discussies? Wedergeboorte!‘ het “spreken over moreel juist of onjuist gedrag zinloos, theoretisch en ergerniswekkend” als de kostbare of doorleefde genade ontbreekt.

Vanuit het beeld van de oudste zoon uit de gelijkenis van de verloren zoon begrijp ik die uitspraak beter. Ik stel mij voor, dat de oudste zoon iemand aanspreekt over onjuist gedrag en het houden van regels. De oudste zoon leeft naar de regel van de wet. Hij lijkt dus zeker recht van spreken te hebben. Toch heeft hij de bedoeling van de wetten en leefregels niet begrepen. Het gaat God niet allereerst om het houden van regels, maar om het hart. God wil graag dat wij hem dienen uit liefde. Hij wil graag dat wij op Jezus Christus gaan lijken. Dat had de oudste zoon niet begrepen. Ja, als oudste zonen gaan spreken over regels en gedrag, dan wekt dat ergernis op, is het theoretisch en daarmee zinloos. Ze spreken over iets (wetten, leefregels) dat ze zelf niet begrepen hebben.

woensdag 2 september 2009

Spreken over goed of fout gedrag


De Rover stelt in zijn artikel ‘Morele discussies? Wedergeboorte!’ de vraag: “Is spreken over goed of fout gedrag daarmee achterhaald en overbodig?” “Ja, als je het gesprek beperkt tot het gedrag of de gedragsregels alleen.” Nee, als je het gedrag ziet als een symptoom en niet meer dan dat.

Gedrag moet je dus gebruiken als een handvat om op zoek te gaan naar de diepere werkelijkheid achter het gedrag. “Dus niet conclusies trekken op basis van het gedrag, of nog erger oordelen of veroordelen, maar dieper doorvragen naar de motieven en drijfveren achter het gedrag.” Alleen zo kun je ontdekken of iemand van kostbare genade leeft, of iemand wedergeboren is.

In mijn blog ‘Drie wegen: hart – genade’ opent Jasper Klapwijk ook al onze ogen voor dezelfde problematiek. Het gaat vooral en allereerst om de vraag hoe het met je ziel, je hart, je innerlijk is gesteld. “De kern is: heeft de genade je hart geraakt of niet?” Klapwijk betrekt het daar op de gelijkenis van de verloren zoon. De oudste zoon had een voorbeeldig gedrag. Wat het houden van wetten en leefregels betreft, was er niets mis. Maar deze zoon leefde niet van kostbare genade. Zowel bij “afwijkend” gedrag als bij voorbeeldig gedrag zal er doorgevraagd moeten worden naar de motieven en drijfveren. De motieven, drijfveren geven aan of er sprake is van geestelijk gedrag of ongeestelijk gedrag.

zaterdag 29 augustus 2009

Morele discussies? Wedergeboorte!


In het ND van 25 juli is een artikel van Arie de Rover geplaatst met als titel: Morele discussies? Wedergeboorte! De Rover merkt daarin op hoe zinloos en verdrietig de meeste morele discussies zijn. Waarom? Er wordt volgens De Rover gesproken en gediscussieerd vanuit een onjuist paradigma.[1]

Met een onjuist paradigma bedoelt De Rover het praten en discussiëren vanuit een gemis aan de doorleving van genade. Zo iemand is dan niet diep geraakt door de genade (“goedkope genade”). De genade heeft niet zijn hart geraakt. Op die manier wordt een morele discussie vooral een theoretische discussie.

Hij verduidelijkt dit met het voorbeeld van een ongeboren tweeling. Deze twee ongeboren kinderen discussiëren in de baarmoeder over de vraag hoe je moet ademhalen. Een discussie die voor hen volstrekt theoretisch is vanwege hun positie, hun ongeboren staat. Ze weten eigenlijk niet waar ze het over hebben. Ze kunnen nog niet eens ademhalen. Na hun geboorte is dat anders. Dan hebben ze doorleefd wat ademhalen feitelijk is. Het is geen theoretische discussie meer. Hun nieuwe leefwereld is totaal veranderd (“paradigmaverandering”).


Dit voorbeeld trekt hij vervolgens door naar hoe we met elkaar spreken over het toepassen van de wetten en leefregels van God (morele discussie). Dat spreken is alleen zinvol als er bij de sprekers sprake is van een doorleefd besef van genade (“kostbare genade”). “Wat voor de ongeboren kinderen het gemis aan ademhalingservaring is, is in de morele discussies het gemis aan de doorleving van genade.”

[1] “Een paradigma is een manier van kijken naar de werkelijkheid; het is het begrip van een onderwerp dat bepaalt hoe we over dat onderwerp denken en hoe we er in ons dagelijks leven mee omgaan.”(Ik zeg PAPA van Larry Crabb, pagina 96)
Een paradigma is het referentiekader van waaruit wij de werkelijkheid interpreteren. Het is een zienswijze.

zaterdag 11 juli 2009

Dialoog met andersdenkenden

Ik wil graag wat citeren van Anselm Grün uit zijn boek Paulus – Ervaring als kern van het christelijk geloof. Hij schrijft daarin het volgende: “Van Paulus zouden we kunnen leren om met eerbied de mensen van andere religies tegemoet te treden en moeite te doen om hen in hun geloof en hun doen en laten werkelijk te begrijpen en hun ervaringen, die zij op hun spirituele weg opdoen, serieus te nemen.”

“Pas dan kunnen we spreken over ons eigen geloof. Dan zullen we er niet als vanzelfsprekend van uitgaan dat alleen wij gelijk hebben. We moeten juist eerder, met Paulus, kritisch blijven letten op onze eigen weg. Zo heeft Paulus immers zijn eigen weg als farizeeër, die hij aanvankelijk met het grootste enthousiasme was ingeslagen, steeds kritischer bekeken en ingezien hoeveel projectie van menselijke behoeften wel in die weg staken.”

“De dialoog met andere religies dwingt ons om het eigen geloof te louteren en het wezen van ons geloof te ontdekken. We zullen ons geloof dan niet betweterig verkondigen. Dan zullen we ons als christen niet boven de anderen verheffen en ons niet gedragen als mensen die precies weten wat goed is voor de ander.”

Grün schrijft dit over mensen die andere religies aanhangen. Ik denk dat al deze woorden ook toegepast kunnen worden op andersdenkenden in dezelfde kerkelijke gemeente. Als deze woorden al gelden voor mensen van andere religies, dan zijn ze toch zeker van toepassing op broers en zussen uit dezelfde gemeente? Wat blijkt het vaak moeilijk te zijn om “moeite te doen om hen in hun geloof en hun doen en laten werkelijk te begrijpen (…).” Wat blijkt het vaak moeilijk te zijn om eerst heel goed te luisteren en niet gelijk massief je eigen geloofswaarheden in stelling te brengen. Soms lijkt het erop, dat het niet nodig gevonden wordt om “het eigen geloof te louteren en het wezen van ons geloof te ontdekken”. Omdat alles al ontdekt lijkt te zijn. Is er wel voldoende een “kritisch blijven letten op onze eigen weg”?

Dit is voorlopig mijn laatste blog. Ik hoop D.V. vanaf 1 september de pen weer op te pakken. Tot dan.

vrijdag 10 juli 2009

Onderlinge omgang

Bas Luiten schrijft over gemeenschap in de zin van verbondenheid.[1] Verbondenheid met mensen is lastiger dan met God. “Want God is goed, maar mensen kunnen zo beperkt zijn en zich vreemd gedragen. Soms hebben ze ook bizarre standpunten. Dan krijg je als vanzelf de neiging, je ‘ik’ terug te trekken uit ‘wij’.” Is dat herkenbaar? Ik vind van wel, allereerst bij mijzelf.

“Soms heb ik het idee dat hier iets helemaal door elkaar loopt. Mensen die eerbiedig met God omgaan (…) kunnen naar medegelovigen precies het omgekeerde doen. Zij bekijken en beoordelen hen vanuit zichzelf en vanuit hun eigen gevoel voor stijl, muziek, traditie, enz., en weten dan al gauw respectloze dingen over hen te zeggen.”

“Zo werkt het dus niet. Binnen het grote ‘wij’ behoudt ieder zijn eigen ‘ik’, van God ontvangen. Het is niet de bedoeling dat dat vervaagt, juist niet. Dus kun je zelf nooit de maatstaf voor een ander zijn. Hoe dan wel?”

Leer elkaar kennen in de Heer! Onze gemeenschap met elkaar is in Hem en niet anders. Dus is het zaak dat je de moeite neemt elkaar zo te leren kennen, dat je de Heer in elkaar herkent.” Als je dat niet doet (bewust of onbewust) dan weiger je de Heer te zien en te aanvaarden zoals Hij door zijn Geest woont in het hart van die broeder of zuster. “De Heer vraagt geloof óók in de onderlinge omgang.”

[1] De Reformatie, jg 84 – nr 39 – 4 juli 2009, Gemeenschap.

maandag 6 juli 2009

Drie wegen: hart - genade

Klapwijk pleit voor een driewegen model. Daarbij heeft hij zich laten inspireren door een preek van Tim Keller over de gelijkenis van de verloren zoon. Die preek heeft Keller verder uitgewerkt in zijn boek ‘De Vrijgevige God’. Keller benadrukt daarin sterk, dat er geen twee maar drie wegen onderscheiden moeten worden. Er zijn drie mogelijkheden:
a.) je bent een zondaar ver van huis (jongste zoon na vertrek uit ouderlijk huis);
b.) je bent tot inkeer gekomen en hebt de genade leren kennen (jongste zoon na thuiskomst);
c.) je bent een meelevend kerklid maar niet echt geraakt door de genade (oudste zoon).

Waarom pleit Klapwijk in navolging op Keller voor het driewegen model? “Allereerst is het niet genoeg om alleen naar het gedrag te kijken (…).” Het gaat vooral en allereerst om de vraag hoe het met je ziel, je hart, je innerlijk is gesteld. “De kern is: heeft de genade je hart geraakt of niet? In de praktijk betekent dat dat je het eerst maar niet moet hebben over het afwijkende gedrag, want het zou zomaar over kunnen komen als een ‘oudste zoon reactie’. Praat eerst samen over de genade. Dat zet je ook naast elkaar, want alleen wie zich echt zondaar weet kan genade ervaren.” De kern van het driewegen model is dus: het is gericht op het hart van de ander, je staat naast die ander, je wilt die ander winnen en je vertoont het beeld van de vader (uit de genoemde gelijkenis). Klapwijk merkt op dat het driewegen model toe te passen is op alle terreinen van het leven. Hij werkt dat verder uit voor: Godsbeeld, liefde in relaties, geven voor de kerk, lijden, waarom goede werken doen?, evangelisatie en omgaan met andere culturen.

Zullen we vanaf nu het driewegen model hanteren in onze onderlinge contacten en in de kerk? Wat verwoestend is het hanteren van het tweewegen model (bewust of onbewust). Relaties komen onder druk te staan, in de kerk ontstaan allerlei spanning, etc. Gelukkig kijkt God naar het hart en ziet Hij ons aan in Christus (genade!). Zullen we op Jezus gaan lijken, door zijn Heilige Geest?

vrijdag 3 juli 2009

Drie wegen: buitenkant - afwijkend gedrag

De laatste tijd constateerde ik bij herhaling, dat christenen op basis van de buitenkant of afwijkend gedrag hun oordeel over andere christenen vormen en tot de conclusie komen: je bent een probleemgeval, je bent een grens gepasseerd. Jasper Klapwijk schrijft over dit onderwerp in het blad Dienst [1]: Drie wegen in plaats van twee.

Klapwijk begint zijn artikel met te zeggen dat hij vermoedt, dat het denken in twee wegen veel kwaad heeft gedaan en nog steeds doet. Het twee wegen model is gebaseerd op het bekende verhaal uit de Bijbel over de brede en de smalle weg. De brede weg staat voor allerlei werelds vermaak en langs de smalle weg vinden we de kerkgebouwen. Iedereen wordt ingedeeld in de categorieën ‘brede weg’ of ‘smalle weg’. Hoe weet je nu of iemand tot de brede of smalle weg behoort? Die zie je aan iemands gedrag.

Het probleem van dit model is, dat je te makkelijk een tweedeling creëert: zij met wie het (uiterlijk) wel goed lijkt te zitten en de probleemgevallen. Vervolgens praat je met de probleemgevallen vooral over de buitenkant, over het afwijkend gedrag. Het tweewegen model is te typeren als: gedragsgericht, je staat gauw tegenover die ander, “probleemgevallen” verwijten smalle-weggers hypocrisie.

Zie mijn volgende blog voor het vervolg.
[1] 57e jaargang, nummer 1 – maart 2009

dinsdag 30 juni 2009

Uittocht uit kerkelijke gemeente

De laatste jaren hebben veel broers en zussen onze gemeente ingewisseld voor een andere gemeente (inmiddels zijn zo’n 120 – 130 mensen vertrokken). Ook nu weer staat er een uittocht van gemeenteleden voor de deur. Hoe komt dit toch? Wat kunnen wij als gemeente daaraan doen?

Grün geeft op deze vragen een antwoord. Hij schrijft in 'Spiritualiteit van beneden' dat daar waar er iets wringt, waar broers en zussen ontevreden zijn, waar zij mopperen, daar kunnen wij ontdekken welke blokkaden er zijn in de gemeenschap, maar ook welke krachten er werken. De mopperaars en ontevreden broers en zussen houden de gemeenschap steeds een spiegel voor.

In een organisme wordt altijd het meest zwakke lidmaat ziek. Maar die ziekte zegt iets over het hele organisme. Zo is het ook in een gemeenschap. Daarom is het juist belangrijk om in de kerk je bezig te houden met de ontevredenen en de mopperaars en het gesprek met hen aan te gaan. Om zo te reflecteren op jezelf als gemeenteschap.

Tot nu toe lijkt het er op, dat er weinig in de spiegel is gekeken. Waarom? Heeft men in de spiegel gekeken en is men direct daarna vergeten hoe men er uitzag? Of kijken we niet in de spiegel omdat we (denken) te weten dat het wel goed zit met ons uiterlijk? Een niet-volmaakte gemeente (en welke gemeente is dat niet) zal altijd elke keer weer opnieuw in de spiegel moeten kijken en de fouten en onvolmaaktheden onder ogen moeten zien. Om daarna de volgende wijze raad van Grün op te volgen: “Enkel het toegeven van een schuldig verleden kan ons naar een gezonde toekomst leiden.” Zonder een reflectie zal de uittocht doorgaan. God verhoede het.

vrijdag 26 juni 2009

Geestelijk leiderschap


Jan-Willem Grievink schrijft in Leadership over geestelijk leiderschap.[1] Hij betoogt dat bij geestelijke leiders er veelal gekeken wordt naar (natuurlijke) vaardigheden en talenten. Dat is ook goed volgens Grievink, “maar pas ná de veel en veel belangrijker geestelijke kenmerken!” Christenen kunnen leiding geven in een kerk, maar daarbij alleen maar gebruik maken van hun natuurlijke talenten. Gevolg: “Het verstaan van Gods stem is een kwestie van het hoofd (beredeneren) en niet van de geest. Gods Geest krijgt in feite geen ruimte in hun hart.”

Grievink spreekt uit eigen ervaring: “Ik zeg dit omdat ik ook in mijn eigen leven heb ervaren hoe gemakkelijk je als christen met je natuurlijke talenten aan het werk gaat. En hoe moeilijk het is om je te onderwerpen aan de leiding van de Heilige Geest, om in de leerschool van God te gaan staan.”

Of iemand zich onderworpen heeft aan de leiding van de Geest is door anderen moeilijk te beoordelen. De mens ziet vaak wat voor ogen is, terwijl de Heer het hart aanziet. Daar komt bij, dat wij volgens Grievink allemaal een sterke neiging hebben om geestelijk te acteren. “Dat willen we niet, maar de nestgeur (…) van kerken is zo groot dat we ons gemakkelijk gaan gedragen naar verwachtingen die ‘men’ ten aanzien van ons heeft.”

Daarom roept Grievink op christelijke leiders niet eerder in te zetten in de kerk dan wanneer je ‘overtuigd’ bent van hun geestelijke fundament. “We moeten hun primair leren dat gaven en talenten helemaal onderworpen moeten worden aan Gods Geest. Natuurlijk leiderschap, zonder écht geestelijk leven, is levensgevaarlijk in de kerk.” Waarom? Omdat het wel werkt en natuurlijk leiderschap voor het oog positieve effecten heeft.

[1] Leadership, 4e jg - nr 2 - De schaduwkant van natuurlijke talenten - Jan Willem Grievink

donderdag 18 juni 2009

Het is angst of liefde

Mijn broer stuurde mij ooit het volgende citaat. Ik moest er vandaag weer aan denken. “Elke handeling die door mensen wordt verricht, is gebaseerd op liefde of angst en dit geldt niet alleen voor die handelingen die met relaties te maken. Beslissingen betreffende het zakenleven, industrie, politiek, religie, de opvoeding van je kinderen, de sociale agenda van de naties, de economische doelstellingen van samenlevingen, keuzes aangaande oorlog, vrede, aanval, verdediging, onderwerping; besluiten om te begeren of weg te geven, te sparen of te delen, te verenigen of te scheiden …

Elke vrije keus die je ooit hebt gemaakt, komt voorts uit een van de twee reëel bestaande gedachten: die van liefde of die van angst. Angst is de energie die doet samentrekken, afsluiten, naar binnen trekken, wegrennen, verstoppen, hamsteren, schade berokkenen. Liefde is de energie die doet uitbreiden, openstellen, naar buiten zenden, onthullen, delen, genezen. Angst hult onze lichamen in kleding, liefde staat ons toe naakt te zijn. Angst houdt vast aan en grijpt naar alles wat we bezitten, liefde geeft alles wat we hebben weg. Angst reserveert, liefde respecteert, angst grijpt, liefde laat gaan. Angst knaagt, liefde sust. Angst valt aan, liefde verbetert. Elke persoonlijke gedachte, elk woord en elke daad is gebaseerd op één van deze twee emoties. Je kunt niets anders kiezen, er zijn immers geen andere keuzemogelijkheden. Maar je hebt wel de vrije keus welke van de twee je verkiest.” [1]

Is het angst of liefde wat je drijft? Angst is een teken van geestelijke armoede. Echte liefde is uit God. Het is menselijk om angstig te zijn. Wat is er toch veel angst. Heer, vervul ons met uw Geest. De Geest die angst uitdrijft en daarvoor in de plaats liefde geeft.

[1] Een ongewoon gesprek met God

maandag 15 juni 2009

Wij leiden aan doofheid!

In het al eerder genoemde interview met Theo Visser vertelt hij [1], dat hij voorafgaand aan zijn reis naar India worstelde met de vraag: “Waarom versta ik de stem van God zo slecht?” Tijdens zijn ontdekkingsreis naar India leerde hij de stem van God beter verstaan in zijn leven. Het goed horen van Gods stem is blijkbaar niet vanzelfsprekend. In ieder geval niet in het leven van Theo Visser. Maar is het in mijn/ons leven beter gesteld?

Tijdens de mannendag in Bunschoten dit jaar [2] ging het ook over het horen van de stem van God. De toespraken tijdens deze mannendag gingen vooral over de brieven (het boek) aan de zeven gemeente in Asia. Patrick Nullens gaf toen aan, dat al die brieven een vaste structuur kennen. Elke brief eindigt met een oproep tot overwinning: “Wie overwint zal….. .” Moet hoe overwinnen wij dan? Door te horen wat de Geest zegt. Het overwinnen is gekoppeld aan: “Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeente zegt.” Overwinnen begint met het luisteren naar de stem van God. Zou de zeven keer herhaalde oproep in de brieven iets onbelangrijks zijn? Een non-issue? Een mooi geformuleerd standaard slot van een brief? Nee, God zet hier als het ware zeven strepen onder: wie oren heeft die luistert naar de Geest! Blijkbaar is het nodig dat dit zo vet onderstreept wordt door onze Heer.

De sprekers tijdens de mannendag gaven aan, dat (geestelijke) doofheid nu juist ons grootste probleem is. God kan niet meer tot ons spreken. Al onze antennes zijn verdoofd door andere zaken. Henk Binnendijk zei, dat we in een tijd leven waarin er nog nooit zoveel geweest is wat ons van God wegtrekt. De duivel ziet kans om jaar in jaar uit met nieuwe communicatiemiddelen te komen zodat we zo doof worden als een kwartel. We worden vanaf alle kanten overschreeuwd. Horen naar de Geest betekent stil worden voor God en luisteren. Zo stil worden, dat je Gods stem hoort. Dat gaat verder als Bijbellezen of naar preken luisteren. Die dringen soms niet verder door dan onze fysieke ogen of onze fysieke oren. Het gaat om het met heel je leven afgestemd zijn op de Geest. Om een geestelijke houding. Om geestelijke ogen en oren.

[1] Zie mijn blog 'Tussen ideaal en werkelijkheid (2)'
[2] Mannendag Bunschoten - 2009. Thema: 'Wie overwint, hem zal ik geven.....'

vrijdag 12 juni 2009

Tussen ideaal en werkelijkheid (5)

Het spanningsveld tussen ideaal en werkelijkheid doet zich ook voor bij missionair-zijn, evangelisatie, gemeentegroei en kerkplanting. In het interview met Theo Visser zegt hij daarover het volgende: “Het beste evangelisatiemiddel is niet gelegen in allerlei activiteiten (…) maar in een leven dat vervuld is met Zijn Heilige Geest. We zijn door de Geest, Die Hij verwierf, verbonden met Jezus, als een rank aan de wijnstok. Dan zien anderen Jezus in ons. Dat zal, meer dan iets anders, mensen tonen Wie Hij is en hen Gods Koninkrijk binnenbrengen.”

“We dienen een God Die ernaar verlangt Zijn machtige arm uit te strekken. Maar als wij datgene wat Hij voor ons heeft klaarliggen, niet in geloof ontvangen en op basis daarvan handelen, blijven we onder de maat. En dan blijft deze wereld net zo duister als ze is.”

Het is dezelfde richting die ook ds. Klaas van den Geest wijst (zie mijn blog ‘Evangeliseren: moet dat echt?’). Het is de richting van Johannes 7: als je vervult bent met de Heilige Geest, dan vorm je zelf ook weer een bron van levend water (werk van de Heilige Geest) voor anderen. Het Bijbelse ideaal van missionair-zijn is te verwezenlijken door je te laten vervullen met de Geest.[1]

[1] Zie mijn blogs ‘Stromen van levend water (1)’ en
'Stromen van levend water (2)

woensdag 10 juni 2009

Tussen ideaal en werkelijkheid (4)

Maar waarom was Theo Visser eerst sceptisch over de grootsheid van het werk van de Geest? En zijn wij ook niet vaak sceptisch (bewust of onbewust) over de onvoorstelbare mogelijkheden waar de Geest toe in staat is?

Theo noemt een aantal oorzaken.
· “Wij Nederlanders filteren alles zozeer met ons verstand, dat de ontvankelijkheid voor het werk van de Geest daaronder kan lijden.”
· “Wij zien de excessen in extreem charismatische kringen (…) en denken: ‘Die kant willen we niet op!’ Uit angst voor uitwassen gaan we helemaal aan de andere kant van de boot hangen en gooien we met het badwater het kind weg.”
· “Daarnaast is het zo dat Nederlanders van controle houden. Iedereen snapt dat als je je overgeeft aan de Heilige Geest, je ook de controle over jezelf opgeeft.”
· “Misschien speelt ook een vorm van zelfvoldaanheid een rol. Een houding van: ‘We hebben toch een aardige kerk; het loopt toch niet verkeerd?’”

Zijn de door Theo Visser genoemde oorzaken niet herkenbaar?

maandag 8 juni 2009

Tussen ideaal en werkelijkheid (3)

En hoe is de spanning tussen ideaal een werkelijkheid bij Visser teruggebracht tot hanteerbare proporties? Hij kreeg meer zicht op de hoogte, diepte en breedte van het werk van de Geest. Hij kreeg een intenser geestelijk leven. En hij kreeg oog voor de noodzaak van geestelijke discipline en ging die discipline handen en voeten geven in zijn leven.

Dat zijn ook precies de punten waar ik (weer) oog voor kreeg via het boek van Henri Nouwen: ‘Nederigheid en dienstbaarheid – het neerwaartse pad van Christus’. Nouwen laat zien, dat het niet voldoende is om Jezus te volgen of om je te laten bezielen door de woorden en daden van Jezus Christus. Nee, je mag leven als de levende Christus, hier en nu, altijd en overal. Ja maar, kan een mens voor zo’n (geestelijk) leven kiezen? Is dat niet te hoog gegrepen? “Het is juist die goddelijke manier van leven die onze Heer ons wil aanreiken door zijn Geest.” Een geestelijk leven is het leven van de Geest van Christus in ons. Let op het werk van de Geest in je leven. Luister naar Hem. Loop de Geest niet voor de voeten, belemmer zijn werk in je leven niet. Een christen moet niet iets leren beheersen, maar zich juist laten beheersen door de Geest. De Geest moet het doen en wil het doen. Is dat ook niet de ontdekking van Theo Visser?

Het ideaal is niet door eigen kracht te bereiken, maar alleen door je toe te vertrouwen aan Christus en Zijn Geest. Het ideaal wordt verbonden met de werkelijkheid door Zijn Geest. In de werkelijkheid van alle dag zijn we helemaal aangewezen op God. Alleen de Geest is in staat om de weerbarstige werkelijkheid om te vormen richting het ideaal. En de Geest maakt daarbij gebruik van mensen. Hij schakelt je in. Op Christus en Zijn Geest moet de focus liggen en niet zo zeer op het verschil tussen ideaal en werkelijkheid.

De noodzakelijkheid van geestelijke discipline wordt ook door Nouwen in het genoemde boek uitgewerkt. Juist omdat je geestelijk wilt leven in een ongeestelijke (zondige) wereld, is geestelijke discipline nodig. Nouwen noemt in zijn boek de discipline van de kerk, de Bijbel en het hart (persoonlijk gebed).

zaterdag 6 juni 2009

Tussen ideaal en werkelijkheid (2)

Wat vormt het genoemde ‘ideaalbeeld’ van Theo Visser? Wat zijn voor Theo vooral de verschillen tussen werkelijkheid en ideaal? Hij wijst in dit verband op het Bijbelboek Handelingen. “Daarin lees je voortdurende over de onstuitbare kracht van de Geest, terwijl ik merkte dat ik die bij mijzelf in de kerk maar mondjesmaat zag.” Het gaat Theo dus om het werk van de Geest. Hij tekent in het interview daarbij aan, dat het hem niet zozeer ging om de ‘spectaculaire gaven’ van de Geest. Nee, hij worstelde vooral met de volgende vragen:
1. Waarom versta ik de stem van God zo slecht?
2. Waarom zie ik niet veel meer dat mensen van buiten de kerk door tekenen en wonderen overtuigd worden van de realiteit van Jezus (…)?
3. Waarom zie ik niet de kracht van de Geest van Pinksteren ook vandaag nog in de kerk (…)?
4. Waarom zie ik zoveel wat ménsen doen in de kerk, maar zo weinig wat Gód doet?

En hoe is Visser teruggekomen in Nederland na afloop van zijn reis naar India? Op welke manier is bij hem het spanningsveld tussen ideaal en werkelijkheid hanteer geworden? Hij vertelt dat het werk van de Geest zoveel intenser is geworden in zijn leven. De Geest is dichterbij gekomen. Hij leerde af om een sceptische houding te hebben over de grootsheid van het werk van de Geest. Hij leerde de stem van God verstaan in zijn leven. En hij leerde de noodzaak in te zien van geestelijke discipline. “Ik ben er meer dan ooit van doordrongen dat ik elke ochtend op mijn knieën moet gaan, om God te ontmoeten (…). Ik verlang iedere dag naar een levende ontmoeting met Degene Die mij redde en voor Wie ik leef.”

“Sinds deze reis besef ik nog veel grondiger wat een ongekende rijkdom de uitstorting van de Geest betekent voor Christus’ gemeente. Jezus zegt dat Hij gekomen is opdat Zijn schapen leven en overvloed hebben. Als Hij zegt dat uit het binnenste van de gelovigen rivieren van levend water zullen stromen, zijn wij dan tevreden met druppels?”

Met de laatste zin verwijst Visser naar Johannes 7. Daar schreef ik eerder de volgende blogs over: ‘stromen van levend water (1)’ en ‘stromen van levend water (2)’.

vrijdag 5 juni 2009

Tussen ideaal en werkelijkheid (1)

In de Visie van de EO (nr. 22; 30 mei t/m 5 juni 2009) staat een interview met Theo Visser: ‘Luisteren naar de lokgroep van Gods Geest’. Hij vertelt daarin over zijn reis naar India, die een geestelijke ontdekkingsreis werd. Maar waarom zo’n reis naar India? Visser geeft o.a. dit als antwoord: “Ik kon het voor mezelf niet langer verkroppen dat er zo’n wereld van verschil is tussen wat ik in de Bijbel lees – over de kracht van de Geest en de overwinningen van Gods Koninkrijk op het rijk van de duisternis – en de toestand van de kerk in Nederland.” Zeg maar het spanningsveld tussen het ‘ideaalbeeld’ zoals de Bijbel daarover spreekt en de weerbarstige werkelijkheid in de kerk.

Dit is ook precies het spanningsveld dat ik de afgelopen jaren in toenemende mate ben gaan ervaren. In toenemende mate omdat ik de afgelopen jaren meer zicht kreeg op de details van dat Bijbelse ideaalbeeld en daarnaast meer oog kreeg voor de menselijke kant van het kerk-zijn. Daardoor ben ik het verschil tussen ideaal en werkelijkheid als een steeds maar groter wordend verschil gaan ervaren. Dit verschil deed mij duizelen. Dat er spanning blijft bestaan tussen ideaal en werkelijkheid begrijp ik, maar hoe ga ik nu om met dit grote verschil? Hoe word het verschil hanteerbaar en voorkom ik dat ik er ziek van word?

Dat de werkelijkheid zo afwijkt van het ideaalbeeld kan ik zien als een falen. Een persoonlijk en gemeenschappelijk falen, dat de werkelijkheid niet beter in overeenstemming te brengen is met het ideaal. Maar falen leidt gemakkelijk tot zelfverwijt en dat haalt mij geestelijk onderuit, zodat ik bij de pakken ga neerzitten. Het verschil kunnen we ook weg bagatelliseren door bijvoorbeeld te zeggen, dat dit spanningsveld er altijd geweest is en er altijd zal zijn. Het verschil is ook te verdringen. Je schenkt er zo min mogelijk aandacht aan en leeft je (geloofs)leven. Falen, bagatelliseren en verdringen zijn volgens mij niet de juiste opties. Maar wat dan wel? In de volgende blog wil ik eerst schrijven over de antwoorden die Theo Visser vond. Waarover hij vertelt in het genoemde interview.

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO