vrijdag 27 november 2009

Een gesprek van hart tot hart

Op de weblog ‘Wij kiezen voor vriendschap’ van Jos Douma las ik hoe hij in het kader van Wij kiezen voor eenheid deel nam aan een retraite. Op de blog schrijft Jos: “Voor mijzelf was vooral een nieuw moment de ontdekking hoe wezenlijk vriendschap is voor processen waarin kerken en kerkmensen elkaar zoeken. (…) Deze retraite was eigenlijk een lang biddend gesprek van hart tot hart, waarin we elkaar op een dieper, spiritueel niveau leerden kennen. (…) Wel hebben we gezegd en ook geproefd hoe belangrijk onderlinge vriendschap is, een spirituele vriendschap die een afspiegeling is van de liefdevolle vriendschap in de drie-enige God.

Een gesprek van hart tot hart. Wat is dat mooi als je een gesprek hebt van hart tot hart. Toen ik dit las, vroeg ik mij af: Waarom lukt een gesprek van hart tot hart met de ene geestelijke broer wel en met de ander niet? Nu laat die vraag zich in het korte bestek van een blog niet uitputtend beantwoorden. Er zijn boeken over volgeschreven.[1] Ik denk wel dat Jos in zijn blog ingrediënten van het antwoord geeft. Een retraite [2] kan een randvoorwaarde zijn voor een gesprek van hart tot hart. Jos noemt vriendschap als een belangrijk ingrediënt. Ja, vriendschap en echte verbondenheid is wezenlijk. Een gesprek van hart tot hart kan niet in de vorm van een soort ‘loopgravenoorlog’ gevoerd worden. Echte vriendschap en verbondenheid betekent dat je je kwetsbaar opstelt, dat liefde en ontvankelijkheid het gesprek bepalen. Een vriendschap die een afspiegeling is van de vriendschap die er is tussen de Personen van de drie-enige God. Een ander ingrediënt dat Jos noemt is het elkaar leren kennen op een dieper, geestelijk niveau. Elkaar leren kennen, echt geïnteresseerd zijn in de ander en in de (geestelijke) drijfveren en motieven van die ander. Samen leden van hetzelfde (geestelijke) huisgezin met dezelfde Vader. Een geestelijk gesprek waarin de Geest domineert en dus volop vruchten van de Geest zichtbaar zijn. Wie zou niet verlangen naar zulke gesprekken?

[1] Een voorbeeld van zo'n boek is: Recht uit je ziel – communicatie zoals God het bedoeld heeft, Larry Crabb
[2] De ontmoeting – 12 uren met Jezus, retraiteboek van Jos Douma
Jos geeft in dit boek aan het woord ‘retraite’ de betekenis van “dat je gedurende kortere of langere tijd met alle dagelijks dingen stopt om je te bezinnen op wat echt belangrijk is in je leven (…)”. Retraite heeft met rust en stilte te maken.

woensdag 18 november 2009

Christus lijden en mijn lijden

De lezing van Matteüs 26 : 36 – 46 deed mij ook denken aan de lezing ‘Verder met het Evangelie van Jezus Christus’ van Wolter Rose. In die lezing zegt hij o.a. dat wij samen met Christus kinderen van God zijn. Hij is de natuurlijke Zoon van God, wij aangenomen (geadopteerde) zonen en dochters. En samen met Christus zijn wij erfgenamen. Rose schrijft dan (n.a.v. Romeinen 8) dat wij zullen delen in de glorie én in het lijden van Christus. “Die glorie — dat zien we wel zitten. Maar dat lijden — moet dat nu echt?”

“Jezus maakt er geen geheim van. Wat voor de Messias, de Christus, geldt, geldt ook voor een christen: het lijden hoort er bij. Net als Jezus mogen wij — zegt Paulus — ook Abba, Vader, tegen God zeggen. Wij horen bij de familie. Samen met Christus. Het lijden hoort onlosmakelijk bij Christus zijn, en zo hoort het lijden nu ook onlosmakelijk bij christen zijn. Het lijden blijft lijden, maar het krijgt een nieuwe dimensie. Het blijft een worsteling. Ook al kun je de vraag, “Waarom?”, niet beantwoorden, één ding weet je als erfgenaam van God, samen met Christus, wel: het lijden dat mij overkomt is op de een of andere manier niet zinloos. En het lijden heeft niet het laatste woord. Wij zijn erfgenamen, samen met Christus: we delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn glorie.”

Mijn grootste hartenwens is, dat ik ben en steeds meer word als Jezus. Jezus moest lijden in de hof van Getsemane (Matteüs 26 : 36 – 46) en ook ik en anderen kennen moeiten en lijden. Moet dat nu echt? “Petrus zei: de Messias lijden? Geen denken aan.” In het genoemde Bijbelgedeelte lezen we dat Jezus zelf ook met die vraag geworsteld heeft: moet dat nu echt? Ook ik denk: ik wil het niet, ik ga de moeiten en het lijden uit de weg (voor zover dat mogelijk is). Jezus’ worsteling is mijn worsteling. Bij Jezus verscheen een engel uit de hemel om hem kracht te geven. Bij mij is er de Geest van Jezus die mij wil en zal helpen. God dank.

zondag 15 november 2009

Jezus en ik

Iets wat mij uit ‘In alle redelijkheid’ van Tim Keller regelmatig te binnen schiet is wat hij zegt in hoofdstuk 12. “(…) ik veranderde pas toen ik besefte dat ikzelf in Jezus’ verhaal voorkwam (en hij in het mijne). (…) het evangelie is niet zomaar een ontroerend stuk fictie over iemand anders. Het is een waar verhaal over ons. Wij komen erin voor.

Ik moest er aan denken bij het lezen van Matteüs 26 : 36 – 46 [1]. Daar bidt Jezus, vlak voor zijn gevangenneming, zijn Vader om de beker van hem weg te nemen. Hij was toen “dodelijk bedroefd” en stond “doodsangst” uit. Ook stond hij er alleen voor: zijn discipelen vielen bij herhaling in slaap ondanks de oproep van Jezus om te bidden. Wat triest en verdrietig! Wat een lijden!

Toen dacht ik aan wat Keller schrijft over Jezus' lijden en kruisdood. Het is niet een verdrietig en ontroerend stuk fictie, maar Jezus doorstond die doodsangsten vanwege mij! Ik had doodsangsten moeten uitstaan en een kruisdood moeten sterven, maar Hij deed het. Voor mij (en vele anderen). Jezus' lijden komt zo heel dicht bij. Raakt mij. Ik kan niet op een afstandje naar deze (bekende) geschiedenis kijken, nee ik kom voor in dit verhaal. Het gaat hier over mij. Hij onderging dit voor mij. Is het niet een groot, volstrekt uniek en kostbaar wonder?

[1] Deze geschiedenis is ook beschreven in Marcus 14 : 32 – 42 en Lucas 22 : 39 – 46.

maandag 9 november 2009

De ene ‘overdoper’ is de andere niet (2)

Ik wil graag nog wat verder doordenken en schrijven over wat ik genoemd heb ‘de ene overdoper is de andere niet’. Misschien sprak ik in m’n eerste blog over dit onderwerp ook wel te veel in raadselen. Met de titel heb ik geprobeerd aan te geven, dat de ene overdoper niet gelijk behoeft te zijn aan de andere. Laten we eerst eens wat verschillende dopen op een rijtje zetten:
1. kinderdoop;
2. geloofsdoop (in plaats van kinderdoop);
3. eerst kinderdoop + later geloofsdoop (met diskwalificatie van kinderdoop);
4. eerst kinderdoop + later doop (waarde kinderdoop niet ter discussie).

De situatie bij 3 is een andere dan bij 4. Bij situatie 3 zet iemand een streep door z’n kinderdoop en wil de betrokkene deze via een geloofsdoop als het ware overdoen. Bij situatie 4 blijft de betrokkene staan achter de kinderdoop en wil met de tweede doop een (hernieuwde) keuze maken voor de Heer. Ondanks dat beide situaties m.i. heel verschillend zijn worden deze broers en zussen veelal op één hoop geveegd en allemaal ‘overdopers’ genoemd. Bij situatie 3 zal het gesprek uitkomen op de verschillen tussen kinderdoop en geloofsdoop. Bij situatie 4 staat de kinderdoop niet ter discussie en is dus ook geen onderwerp van gesprek. Daar kan het gesprek alleen gaan over de tweede doop.

Situatie 4 is de context van hoofdstuk 21 uit het boekje van Adrian Verbree ‘Over dopen’. Verbree schets een fictief verhaal waarin sprake is van zo’n tweede doop. Hij schrijft: “Maar … nu het kiezen voor Christus zo nadrukkelijk hun leven is gaan bepalen, willen ze die keus ook graag zelf onderstrepen door nogmaals de doop te ontvangen.” Verbree zegt daarvan: “Het is iets fijns wanneer mensen, wanneer dan ook in hun leven, (weer) een bewuste keuze voor Christus willen maken.” Dus met het motief van de tweede doop kan Verbree instemmen. Ook geeft de uitwerking in hoofdstuk 21 aan, dat Verbree anders met situatie 3 omgaat dan met situatie 4. Hij maakt nadrukkelijk een onderscheid tussen 3 en 4 en veegt dus niet heel deze groep bij elkaar en plak daar het etiket 'overdoper' op.

Er blijven m.i. dan nog twee zaken over waar over doorgesproken moet worden: de vorm van deze tweede doop en de locatie (eigen gemeente of niet). Wat de vorm betreft geeft Verbree (en anderen) aan geen voorstander te zijn van het toepassen van hetzelfde teken als bij de kinderdoop. Daar heeft hij m.i. goede argumenten voor. Het noemt de mogelijkheid een alternatief symbool te ontwikkelen. Een betekenis van de kinderdoop is, dat je opgenomen bent als (geadopteerd) kind in Gods huisgezin. Dat huisgezin kent gezinsleden van over de hele wereld en vanuit allerlei kerken, maar wordt vooral geconcretiseerd, werkelijkheid in je eigen gemeente. Het ligt dan ook zeker voor de hand om je bewuste keuze voor Christus, de bevestiging van je plaats in Gods huisgezin tot uitdrukking te brengen in je eigen gemeente (locatie). Dat betekent wel, dat die eigen gemeente zo’n ritueel, zo’n tweede doop (zonder de vorm van de doop) moet willen toestaan.

zaterdag 7 november 2009

De ene ‘overdoper’ is de andere niet (1)

Ik ben de afgelopen periode intensief bezig geweest met ‘de doop’ en dan vooral de ‘overdoop’. Niet omdat ik dat een boeiend onderwerp vind (daarmee zeg ik dus niet, dat het geen belangrijk onderwerp is), maar omdat een broer in de gemeente zich liet overdopen. In verband daarmee las ik o.a. het boek ‘Over dopen’ van Adrian Verbree.

Verbree zegt in genoemd boek allerlei wetenswaardige zaken. In hoofdstuk 21 gaat hij specifiek in op het onderwerp ‘De doop op herhaling?’. Hij schrijft daarin o.a. het volgende: “Het is iets fijns wanneer mensen, wanneer dan ook in hun leven, (weer) een bewuste keus voor Christus willen maken. En de wens dat op een of andere manier symbolisch te laten uitkomen, is ook te respecteren. Er is niets mis met iemand die op dit punt een kind van zijn tijd is en waarde hecht aan symboliek. Het zou daarom fijn zijn wanneer deze kwestie niet verzandt in een ‘mag wel, mag niet’ rond een tweede doop. Is het niet mogelijk alternatieve symbolen te ontwikkelen? Dan wordt het gevaar van een onbedoeld vertroebelen van een door God geclaimd teken (AG: de doop) bezworen.

Helaas verzandt zo’n kwestie in de praktijk wel heel snel in een ‘mag wel, mag niet’ rond een tweede doop. Soms heb ik daarbij het gevoel (dat gevoel kan dus niet juist zijn) dat mensen zo’n broer liever de gemeente zien verlaten, dan hem vast te houden. Dat mensen nooit nagedacht hebben over een driewegen pastoraat laat staan dit model toepassen. Dat mensen niet openstaan voor verschillen tussen de ene ‘overdoper’ en de andere. Dat we het in de kerk gemakkelijker vinden om een ander (i.c. de ‘overdoper’) aan te spreken op zijn verantwoordelijkheden dan je als kerklid en als kerkenraad bewust te zijn van het onvoldoende handen en voeten geven van je eigen verantwoordelijkheden op dit gebied. Ds. Marten de Vries schreef het al in 2006 in het ND: moeite met de kinderdoop vraagt onderwijs. Zijn wij daarin niet tekortgeschoten?

8 nov. 2009: Ik moet nog iets toevoegen aan deze blog. Verbree schrijft in hoofdstuk 21 over mensen die de waarde van de kinderdoop niet ontkennen en die ook niet van zins zijn de kerk te verlaten.

maandag 2 november 2009

Vroeger was alles beter

De laatste tijd is er een aantal artikelen verschenen in de Reformatie over onrust in de GKv. Zo schreef Ad de Bruijne het artikel ‘Versimpeling en vertrouwen’. Daarin schrijft hij o.a. over het haast romantische, ideaalbeeld dat sommigen schetsen van het vrijgemaakte verleden.

Als voorbeeld noemt hij dan artikelen zoals geschreven door Durk Jan Bolt. De man achter de website eeninwaarheid.nl. De Bruijne schrijft: “Wie Bolts artikelen leest, stuit daarin op een haast romantische tekening van zijn vrijgemaakte verleden. Hij heeft het over een tijd waarin ‘we lange jaren heerlijk hebben samengeleefd’. ‘Er was liefde tot de Here. Een tere omgang met Hem en een zorgvuldige eerbiediging van zijn Woord… Broeders en zusters met wie je je diep verbonden wist… Uit die liefde tot de Here en zijn kerk bloeide ook het verdere leven op… Zo ontstond het rijke gereformeerde leven in tientallen jaren na de Vrijmaking…’.” De Bruijne concludeert dan: “Als je het verleden zo idealiseert, kan het niet anders of veel zaken vandaag doen pijn en veroorzaken een vertrouwensbreuk.”

Is dat niet één van de (wellicht onbewuste) drijfveren van verontruste broers en zussen in de kerk? Dat ze denken dat de GKv het prima voor elkaar had? Maar kijk dan eens eerlijk naar het verleden! Er is veel aan te wijzen wat niet goed of niet optimaal was. Soms historisch verklaarbaar en begrijpelijk, maar niet goed. Onze ouders hebben met veelal goede intenties de kerk van hun tijd vorm gegeven. Wij zullen ze er niet minder lief om hebben. Maar die ‘oude’ kerk is voor ons, bouwers van de ‘nieuwe’ kerk zeker geen maatstaf. Geen ideaal. Wij moeten en mogen in onze tijd de kerk proberen vorm te geven. Alleen al vanwege het feit dat het nu een heel andere tijd is, zal die kerkvorm op allerlei onderdelen anders moeten zijn. Niet als een doel op zich, maar meer als een logisch gevolg van de tijd waarin wij nu leven. Met het inzicht van vandaag zien we ook de fouten uit het verleden en die vragen om correctie. Er is geen reden om verkrampt vast te houden aan het verleden. Er is ook geen reden om alles uit het verleden zomaar over boord te zetten.

zondag 1 november 2009

Identiteit en gedrag

Ik wil graag nog even stilstaan bij het interview met Selma Noort: ‘Met alle tanden bloot’. In het interview wordt haar de vraag gesteld: “Laat het geloof u los?” Zij antwoord dan: “Nou, de moraal niet. Wat goed en kwaad is, de naastenliefde, dat zit in mij verankerd. Het is zelfs een beetje moralistisch, (…).

Wat triest dat iemand haar identiteit in Christus verloren heeft, maar er nog wel christelijk gedrag op nahoudt. Het is de wereld op z’n kop. Christelijk gedrag, de moraal, een besef van goed en kwaad, dat is wat er van haar geloof is overgebleven. Werd de God als vriend, als Vader (uit de gelijkenis van de verloren zoon) ingewisseld voor een God die gehoorzaamheid wilde (zoals bij de oudste zoon uit deze gelijkenis)? Werd het haar hardhandig bijgebracht, zoals het interview suggereert?

Keller schrijft daarover in zijn boek ‘De vrijgevige God’. Hij zegt daarin o.a. dit: “Velen hebben de denkvorm van het moreel conformisme beproefd, raakten erdoor vermorzeld, en maakten toen een dramatische stap naar een leven van zelfontdekking. (Volgens Keller staat de oudste zoon voor de weg van het moreel conformisme en de jongste voor de weg van de zelfontdekking. Beiden hebben geen vriend, geen Vader nodig.) Is Selma vermorzelt door de denkvorm van het moreel conformisme en bracht dat haar tot een leven van zelfontdekking? Een leven zonder een (hemelse) Vader die haar vriend wil zijn?

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO