dinsdag 29 juni 2010

Niet alleen woorden maar ook daden

In het ND van zaterdag 19 juni staat een column van Gerard de Korte: ‘Oecumene van het hart’. Hij schrijft in zijn column over een dialoog “over de snelle veranderingen in kerk en samenleving”. En over het worstelen met de vraag “hoe wij de rijkdom van Schrift en traditie kunnen doorgeven aan de nieuwe generaties”.

Vervolgens schrijft hij het volgende: “In dat kader is het ontzettend belangrijk te laten zien dat de verbondenheid met Christus ook werkelijk het verschil maakt. Het is eigenlijk de vraag naar levensheiliging, naar werkelijk christelijk leven. Zien mensen nog aan onze wijze van leven dat wij van Christus zijn? Alleen als wij als christenen in daad en woord de relevantie van ons geloof in beeld brengen, zullen nieuwe mensen met ons mee willen gaan doen.”

Ook Troost schrijft in ‘Spiritualiteit van ontvankelijkheid’ over dit onderwerp. Over het laten zien van een verbondenheid met Christus. Over levensheiliging. Over de relevantie van het geloof in beeld brengen. Hij zegt daar o.a. dit over: “De kracht van het evangelie wordt voelbaar, wanneer dat wat er te horen is bevestigd wordt door dat wat er te zien en mee te maken is. (…) Dat ook vandaag het koninkrijk van God weer zichtbaar wordt. Dat Gods aanwezigheid niet alleen wordt geloofd maar ook als realiteit wordt ervaren. Dat er weer echt iets van de kerk gaat uitstralen naar hen die Jezus nog niet of niet meer kennen (Hand. 2 : 27). Er lopen zoveel mensen rond in Nederland, die ooit elke week in de kerk zaten. (…) Maar die hun geloof zijn kwijtgeraakt, omdat ze alleen maar woorden hoorden, maar niet de realiteit van die woorden hebben ervaren.” (Onderstrepingen door AG).

Het gaat over de realiteit van ons geloof in het leven van elke dag (dus niet alleen de zondag). Die realiteit is geen realiteit als het vooral bij woorden blijft en wij ons in onze daden niet (positief) onderscheiden van niet-christenen. In dat geval gaat er geen appél uit van ons naar niet-christenen.

donderdag 24 juni 2010

Vingerwijzing

Ik woonde deze week de diploma-uitreiking van mijn dochter bij. Aan het eind van die ceremonie vertelde Sjoerd Wijma een verhaal. Een verhaal over studenten die aan het eind van een aantal dagen survival de neiging hadden met een kromme rug en gebogen hoofd naar de punten van hun schoenen te kijken en voort te sjokken. Hierdoor werd hun blikveld heel beperkt tot alleen dat hele kleine stukje wereld om hun heen. Ze zagen hoogstens een schaduw van wat kwam. Juist door rechtop te lopen en vooruit te kijken ontstond er ruimte, een weidse blik, perspectief. Sjoerd vroeg aan de studenten (en de aanwezigen) zich dit beeld te herinneren als ze dreigen vast te lopen in zichzelf. Hij verwees daarbij naar Hebreeën 12 : 2. Op het richten van je blik op Jezus.

Ik was die dag begonnen met het lezen van Kol. 2 : 6 - 3 : 4. Daar staat o.a. dit: “Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met hem, in luister verschijnen.” Richt je op wat boven is, waar Christus zit. Richt je op Jezus Christus. De werkelijkheid is Christus!

Het trof mij dat wat ik ’s-morgens in de Bijbel had gelezen zo treffend ’s-avonds werd verwoord in de vorm van een metafoor. Een beeld om te onthouden. En ik dacht: zou dit nu een vingerwijzing van God (voor mij) zijn? In ieder geval heb ik mij weer opnieuw voorgenomen vooral de blik te richten op Jezus. Mijn blikveld niet te laten inperken tot die kleine en kleinmenselijke mensenwereld om mij heen.

maandag 21 juni 2010

Gevoelscultuur: mannelijk én vrouwelijk

Philip Troost schrijft in ‘Spiritualiteit van ontvankelijkheid’ over het mannelijk én vrouwelijk zijn van elk mens. “Van élk mens geldt dat hij of zij Gods beeld vertoont door mannelijk én vrouwelijk te zijn.” De mens is als evenbeeld van God geschapen: mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen (Genesis 1 : 27). Het mannelijke en het vrouwelijke zijn volgens Troost “kwaliteiten of eigenschappen die in de mens schuilen”.

Troost stelt dat in de traditionele kerken de hang naar meer vrouwelijkheid in het geloof nog vaak als iets negatiefs wordt gezien. “(…) de toonzetting blijft toch vooral die van het wijzen op de gevaarlijke kanten van de gevoelscultuur.” Troost geeft aan dat vanuit de insteek mannelijk en vrouwelijk, in onze cultuur het mannelijke al honderden jaren achtereen domineert. Ik denk dat de kerk daardoor onmiskenbaar is beïnvloed.

“In plaats van vrouwelijke aspecten als voelen en ervaren steeds weer als een bedreiging te zien waar we behoedzaam en voorzichtig mee moeten omgaan, wil ik (AG: Troost) er voor pleiten die meer zachte en vrouwelijke aspecten juist met open armen binnen te halen en te zien als een verrijking en aanvulling die de kerk juist nodig heeft. (…) Tenminste, als we die vrouwelijkheid op een vruchtbare en gezonde manier leren verbinden met de mannelijke aspecten.”

Die verbinding tussen het vrouwelijke en mannelijke is volgens Troost belangrijk. “Want wanneer we die verbinding niet maken, zal de hang van onze cultuur naar meer vrouwelijkheid ook in de kerk een eigen leven gaan leiden. (…) Dan komen we van de regen in de drup, want of je nu door het verstand of door het gevoel wordt overheerst, in beide gevallen is het niet de heerschappij van Christus.” Beiden, gevoel én verstand in onderlinge verbondenheid moeten in dienst gesteld worden van Christus.

vrijdag 18 juni 2010

Cultuur biedt positieve effecten en kansen

Beïnvloeding vanuit de cultuur kan naast negatieve ook positieve effecten hebben. Vanuit de gevoelscultuur kom ik gemakkelijker tot het inzicht, dat geloof vooral affectief van aard is. Geloven is vooral liefhebben. Het gaat om een liefdesrelatie tussen God en mensen. Die Bijbelse boodschap landt m.i. gemakkelijker bij mensen in een gevoelscultuur.

Een culturele context waarin alles relatief gevonden worden, brengt mij wellicht eerder tot het inzicht dat mijn kennen tekortschiet en ik kijk in een wazige spiegel (1 Kor. 13). Het behoed mij er voor om te gemakkelijk met grote woorden te spreken. De culturele context helpt mij om te komen tot het inzicht dat Gods woord absoluut van aard is, maar ons kennen van dat woord eenzijdig is en beperkt (relatief).

De culturele context en de maatschappij waarin wij leven biedt ook kansen voor de kerk. Er is veel vraag naar spiritualiteit. Wie kan beter in dit verlangen voorzien dan de kerk? Juist de kerk moet toch dé vindplaats zijn voor zoekers naar spiritualiteit? Er is veel eenzaamheid. Biedt de kerk niet de beste remedie tegen eenzaamheid? Veel mensen zoeken vervulling en welzijn. De kerk heeft toch voor deze mensen een fantastische boodschap in de persoon van Jezus? De vraag is: richt de kerk zich (expliciet) op het ‘verzilveren’ van die kansen?

woensdag 16 juni 2010

Beïnvloeding vanuit cultuur

Tomlin ziet de cultuur en de geest van die cultuur als (potentiële) afgoden. Afgoden die ons proberen te verleiden om voor hen te buigen. Is dat niet wat overdreven? Ik denk het niet. Iedereen wordt beïnvloed vanuit de cultuur waarin we leven. We ademen die cultuur als het ware elke dag in. Van nature is iedereen ontvankelijk voor de invloeden vanuit de cultuur.

Daaruit volgt dat ook de kerk wordt beïnvloed door de cultuur. Die beïnvloeding werkt negatief uit als vooral de eenzijdige nadruk vanuit de cultuur de boventoon gaat voeren. Als bijvoorbeeld alles draait om gevoel. Het moet in de kerk gaan om gevoel én verstand, het objectieve én het subjectieve, om het individuele én het gemeenschappelijke, om het relatieve en het absolute. Het gaat mis als we er een tegenstelling van maken en de juiste onderlinge verhouding tussen de begrippen uit het oog verliezen. Als we geen balans kunnen vinden of juist dreigen kwijt te raken tussen bijvoorbeeld gevoel en verstand. Als de invloeden aangewend worden voor zelfhandhaving in plaats van dienstbaar gemaakt te worden aan Gods eer.

Packer zei dit daarover: “Wij christenen zijn in feite hopeloos slecht in het vermijden van extremen. Wij zijn als de slinger van een klok, constant van het ene extreme naar het andere zwaaiend. Het is de kracht van reactie, misschien wel de sterkste negatieve kracht in een mensenleven, die deze zwaaiing veroorzaakt.” We zwaaien zomaar van de extreme positie van ‘het verstand’ naar de extreme positie van ‘het gevoel’.

Maar hoe kan je nu weerstand bieden aan deze beïnvloeding? Door te strijden niet zozeer tegen de beïnvloeding, maar voor vervulling met de Geest. Voor die vervulling is wel ontvankelijkheid en overgave nodig. Hoe meer we ontvankelijk zijn voor de Geest hoe minder we ontvankelijk zijn voor de verleidingen vanuit de cultuur.

vrijdag 11 juni 2010

Cultuur

Tomlin schrijft in zijn boek ‘Geestelijk Fit’ ook over ‘cultuur’. “In welke cultuur of tijd de kerk ook leeft, als ze haar cultuur en de geest van die cultuur niet probeert te begrijpen, zal ze zich ermee vermengen. Als de afgoden die haar verleiden om voor hen te buigen niet herkend worden, loopt de kerk het risico van een subtiele nauwelijks merkbare aanbidding van deze goden. In iedere culturele context moet de kerk enerzijds een sterk besef van haar identiteit hebben, en anderzijds een helder bewustzijn van de trends en verleidingen die haar omgeven, wil ze trouw zijn aan haar ware Heer, Jezus Christus. Iedere cultuur zal altijd een mix zijn van goed en kwaad, goedheid van God en bedrieglijke slechtheid.”

Culturele invloeden zijn niet (altijd) per definitie slecht of verkeerd. Zo zeggen wij dat wij nu leven in een gevoelscultuur. Gevoel is op zichzelf niet slecht (immoreel). Het is wel verkeerd als we ons alleen maar door gevoel laten leiden. Je kunt met de gevoelscultuur de goede of verkeerde kant uitgaan. Onze cultuur is ook heel divers. Zo is het eenzijdig om alleen maar te spreken over een gevoelscultuur. “Er is daarnaast ook nog steeds het staalharde skelet van het rationalisme. Dat wordt bijvoorbeeld voelbaar in de waarheidsclaim van de wetenschap.” Ook is de sterke nadruk op gevoel (deels) een correctie op rationalisme zoals dat sinds de verlichting opgang deed. De eenzijdigheid van het rationalisme wordt zo gecorrigeerd door een sterkere nadruk op het gevoel. Elke correctie brengt wel het risico met zich mee door te slaan in een andere eenzijdigheid, maar dat doet niets af of toe aan het nut van deze correctie.

woensdag 9 juni 2010

Karaktervorming en deugden

Het valt mij op dat de laatste tijd er allerlei boeken en artikelen opduiken die gaan over ‘karaktervorming’ en ‘deugden’. De boeken ‘Geestelijk Fit van Graham Tomlin en ‘Een robuuste kerk’ van Stanley Hauerwas zijn daar voorbeelden van. De Reformatie besteedt in nummer 26 van dit jaar aandacht aan ‘Deugden in het basisonderwijs’. Dit naar aanleiding van een symposium over dit onderwerp en de introductie van het boek ‘Doe me een Deugd’.

Maar wat is een ‘deugd’? “Een deugd is geen handeling, maar een houding. Handelingen komen voort uit een houding.” Tomlin zegt het zo: “(…) christelijke deugd, bedoelen we een bepaalde levenskwaliteit, die regelmatig uitkomt in verschillende daden. De focus ligt niet op die daden zelf, maar op de levenskwaliteit die deze daden mogelijk maakt.” Je karakter wordt bepaald, gevormd door de houdingen die je hebt ontwikkeld. Bij karaktervorming gaat het om de ontwikkeling van het vermogen om Gods wil te doen zonder daar echt over na te denken.

Maar waarom die belangstelling voor ‘deugden’? Tomlin komt in genoemd boek uit op deugden, omdat hij schrijft over het ontwikkelen van geestelijke gezondheid en conditie (zoals het fitnesscentrum dat doet op het fysieke terrein). Bij geestelijke conditie gaat het volgens Tomlin om het ontwikkelen van geestelijke kwaliteiten die je in staat stellen om dingen te doen die anders buiten je bereik liggen. Om het ontwikkelen van deugden dus. “Voor Hauerwas is de ontwikkeling van deugd de centrale taak van de kerk (…).” En met het boek ‘Doe me een Deugd’ proberen de schrijvers aandacht te vragen voor deugden in het onderwijs.

maandag 7 juni 2010

Vrijheid in Christus

Ds. Mark van Leeuwen schrijft in de Reformatie[1] over de vrijheid die christenen hebben in Christus. Dit naar aanleiding van de brief aan de Galaten. Christenen zijn gekocht door Jezus Christus en daarom is een christen niet meer een slaaf maar een kind van God. God is niet hun Baas maar hun Vader.

Ons probleem is dat wij steeds weer terugvallen in de houding van een slaaf. We leveren onze vrijheid in. Hoe? Van Leeuwen noemt de afgod van de religieuze prestaties. “Je ‘goeie gedrag’ is een afgod geworden (…).” Je inspanningen voor God zijn een doel in zichzelf geworden. Je inzet voor God is belangrijker geworden dan God zelf. “Je hebt iets naast God waarop je je zekerheid bouwt.”

Maar hoe ontdek je nu of je last hebt van deze onvrijheid? “Als ik me goed voel bij goede prestaties en somber bij slechte, dan heb ik de zekerheid van Gods liefde afhankelijk gemaakt van mezelf. Dan zijn mijn inspanningen voor God mijn afgod geworden. Ze beheersen mijn leven. Ze bepalen hoe ik denk, hoe ik me voel, hoe ik me gedraag. Ze maken mij tot hun slaaf.”

Paulus doet ons een hartstochtelijke oproep toekomen: laat je niet opnieuw een slavenjuk opleggen!

[1] De Reformatie nummer 26 – jaargang 85 – 21 mei 2010 – ‘Het vijfde evangelie’

vrijdag 4 juni 2010

Kerk: geef mensen wat ze willen

In mijn blog ‘Kerk: pas je aan of confronteer’ ging het om de vraagstelling: moeten we in de kerk de mens naar de mond praten of de confrontatie aangaan? Tomlin staat in zijn boek ‘Geestelijk fit’ bij eenzelfde soort vraag stil: “Moet de kerk de mensen dus geven wat ze willen, of hen laten willen wat ze (AG: de kerk) te geven heeft?”

Tomlin behandelt deze vraag vanuit een bepalend kenmerk van de cultuur waarin de kerk vandaag leeft: het consumentisme. “Is het mogelijk dat kerk trouw blijft aan zichzelf en iets aanbiedt wat waardevol is voor de consumenten van de hedendaagse westerse samenlevingen?” Of anders gezegd: kan de kerk tegemoetkomen aan de behoeftes en verlangens van mensen en trouw blijven aan zichzelf?

Tomlin legt uit dat “hoewel er gevaren schuilen in een consumentistische mindset, er ten diepste geen tegenstelling bestaat tussen tegemoetkomen aan behoeftes en de waarheid van het evangelie.” “De truc is te onderscheiden tussen ontregelde, zondige verlangens en geschapen, door God gegeven verlangens. Niet het verlang op zichzelf is zondig, maar de gedachte dat onze diepste menselijke verlangens ergens anders vervuld kunnen worden dan in God.”

“Daarom is een van de belangrijkste taken voor de kerk van vandaag (…) vast te stellen welke vorm het basale menselijke verlangen naar God aanneemt, met name in de hedendaagse cultuur. Tegelijk moet de kerk erover nadenken hoe ze die verlangens kan aanspreken, hoe ze mensen kan helpen om de levende God te vinden. Alleen Hij kan bevredigen, genezen en verlossen.” Alleen God kan onze behoeftes en verlangens ten diepste vervullen. “Als plaatselijke kerken mensen gaan helpen om de kwaliteiten te ontwikkelen die de natuur van God weerspiegelen en om een goed leven te leiden, dan hebben ze niet alleen iets te bieden waarvan de consumptiemaatschappij weet dat ze dit nodig heeft om te overleven. Deze kerken zullen ook trouw zijn aan hun aard.”

woensdag 2 juni 2010

Kerk: pas je aan of confronteer

In het ND van zaterdag 29 mei las ik het artikel ‘Botsen over de actuele preek’. In dit artikel wordt verslag gedaan van een spreekbeurt van Prof. Bram van de Beek voor zo’n zeventig predikanten van de Gereformeerde Bond. Volgens het artikel ging de spreekbeurt kort gezegd over: “pas je als kerk niet aan, maar confronteer.” Anders gezegd: “De mens naar de mond praten of de confrontatie aangaan – dat is de keuze op de kansel.” Is die keuze werkelijk zo ‘eenvoudig’? Het artikel vertelt dat Van de Beek nogal wat tegengas kreeg van de hoorders. Zou het dan toch wat ingewikkelder, genuanceerder liggen?

Als ik Tim Keller goed begrijp, past hij een andere aanpak toe. Keller zegt ergens in een interview dit: “Contextualisering is die dingen uit het christelijk geloof kiezen die goed aansluiten bij je cultuur en dat brengen op een manier die mensen raakt. Je begint met dingen die mensen graag willen horen (…).” Hij praat de mensen in eerste instantie als het ware naar de mond.


Keller vervolgt: “(…), en daarna zeg je: als je consequent wilt zijn, dan moet je ook dingen accepteren die je niet graag hoort.” Daarna confronteert hij ze dus met dingen. Waarom past hij deze aanpak toe? “Je moet de cultuur binnengaan, want als je mensen alleen confronteert zonder dat je hun cultuur kent, zullen ze niet luisteren.”

Het lijkt er dus op, dat het bij Keller geen tegenstelling is: óf naar de mond praten óf de confrontatie aangaan, maar hij gebruikt het één om daarna de confrontatie aan te kunnen gaan.

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO