zaterdag 24 december 2011

Het gaat in het leven om relaties

Tim Keller begint zijn boek ‘Kruistocht – Het leven van koning Jezus’ met een hoofdstuk over de drie-enige God. Dat doet hij omdat hij in zijn boek begint bij vers 1 van het Bijbelboek Marcus: ‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God.’ Het gaat in Marcus niet om een Jezus (een veelgebruikte naam) of om een Christus (een gezalfde koninklijke figuur), maar om de ‘Zoon van God’. In dit hoofdstuk zegt o.a. dit: ‘Als deze wereld door een drie-enige God geschapen is, dan draait alles in het leven eigenlijk om liefdesrelaties.’ Deze stelling werkt hij vervolgens uit voor verschillende godsbeelden.

Dat het in dit leven draait om liefdesrelaties of relaties is mij dit seizoen op de school voor pastoraat (Koinonia) duidelijk gemaakt. We zijn gemaakt om relaties te hebben. De basis van iedere menselijke relatie, maar ook de relatie tussen God en mensen, is het geven en ontvangen. Niet geven en nemen, maar geven en ontvangen. Ontvangen is anders dan nemen. Hans Groeneboer schrijft in zijn boek ‘Op de schouders van ouders – in vrijheid verbonden’ dat het principe van geven en ontvangen je de mogelijkheid biedt om je te verbinden met andere mensen. Geven en ontvangen is een basisvoorwaarde in het leven van de mens (als relationeel wezen).

Dit principe van geven en ontvangen doet mij ook beter begrijpen waarom in dit verband het godsbeeld zo belangrijk is. Stel je een abstract godsbeeld voor. In dat geval is God meer een Iets dan een Iemand. Van een relatie tussen God en mensen is dan nauwelijks sprake. Immers, hoe kan een mens geven aan en ontvangen van een Iets? Hoe kan een mens zich verbinden met een Iets? Misschien bedoelde Tim Keller dat met deze woorden, zoals neergeschreven in zijn boek: ‘Hoewel ik al jong geloofde dat de Bijbel het woord van de Heer is, had ik de Heer van dat woord nog niet persoonlijk ontmoet. Toen ik de evangeliën las, werd hij werkelijkheid voor mij.’ Hij geloofde wel in de Heer, maar die Heer was voor hem meer een Iets dan een Iemand. De Heer was voor hem geen levende werkelijkheid. Het komt er dus nogal op aan welk godsbeeld wij hebben.

zaterdag 17 december 2011

Stomverbaasd, verbijsterd, ontzet

Naar aanleiding van het boek ‘Kruistocht – Het leven van koning Jezus’ van Tim Keller ben ik het Bijbelboek Marcus aan het lezen. Volgens mij zit er een soort refrein in Marcus.


 
Marcus 1 : 22 : Ze waren diep onder de indruk ……
Marcus 1 : 27 : Iedereen was zo verbijsterd …..
Marcus 2 : 11 : …. allen die dit zagen, stonden versteld …..
Marcus 4 : 41 : Ze werden bevangen door grote schrik …..
Marcus 5 : 15 : …. en ze werden door schrik bevangen.
Marcus 5 : 20 : …. en iedereen stond verbaasd.
Marcus 5 : 42 : Iedereen was met stomheid geslagen.
Marcus 6 : 2 : … en vele toehoorders waren stomverbaasd ….
Marcus 6 : 51 : Zijn leerlingen waren helemaal van hun stuk gebracht.
Marcus 7 : 37 : De mensen waren geweldig onder de indruk en …..
Marcus 9 : 6 : ….., want ze waren door schrik overweldigd.
Marcus 9 : 15 : De mensen waren verbaasd toen ze hem zagen, ….
Marcus 9 : 24 : De leerlingen schrokken van zijn woorden.
Marcus 9 : 26 : Nu waren ze nog meer ontzet, …..
Marcus 12 : 17 : En ze waren met stomheid geslagen.
Marcus 16 : 8 : …., want ze waren bevangen door angst en schrik.

Waarom waren de mensen diep onder de indruk en verbijsterd? Waarom stonden ze versteld, werden ze door schrik bevangen, waren ze verbaasd ja zelfs stomverbaasd en ontzet? Waarom waren ze met stomheid geslagen en werden ze door angst en schrik overweldigd? Door wat Jezus Christus deed en zei.

Kennen wij als christenen soortgelijke ervaringen over Jezus Christus? Is het refrein uit Marcus ook het refrein in ons (geloofs)leven? Of geldt wat Keller overkomen is, ook voor ons? Dit overkwam Keller: ‘Hoewel ik al jong geloofde dat de Bijbel het woord van de Heer is, had ik de Heer van het woord nog niet persoonlijk ontmoet. Toen ik de evangeliën las, werd hij werkelijkheid voor mij.’ Is Jezus een levende werkelijkheid voor ons? Misschien is de aanwezigheid (of afwezigheid) van de hierboven genoemde ‘emoties’ wel een goede graadmeter. Een graadmeter om vast te stellen in hoeverre wij Christus echt persoonlijk ontmoet hebben!

woensdag 1 juni 2011

Worsteling

Wat kunnen mensen liefdeloos, zondig met elkaar omgaan. Wat kunnen we worstelen met het doorgeven van Gods genade aan anderen. Hoe moeilijk is het om vergeving te schenken aan degene die ons kwaad heeft aangedaan. Zeker als dat christenen zijn. Afgelopen zondag zongen wij opwekking 629. Een lied waarin die worsteling mooi onder woorden is gebracht.

Hoe kan ik verder leven, hoe moet ik verder gaan.
Kan ik ooit vergeven, wat mij is aangedaan.
De woorden in mijn ziel, de haat en bitterheid,
lijken niet te helen niet door woorden, niet door tijd.

Refrein:
Maar als er vergeving is, kan er genezing zijn,
van de pijn en het verdriet diep van binnen.
Als er vergeving is,kan er genezing zijn,
en de weg van herstel kan beginnen.

O God, ik heb U nodig, Ik kan het zelf niet.
Ik lijk haast te verstikken, in angst en in verdriet.
Hoe kan ik ooit vergeven, zoals U mij vergeeft,
dwars door alles heen wat mij beschadigd heeft.

Geef mij de kracht van Uw liefde om verder te gaan,
ook al zal er een litteken blijven bestaan.
Want is Uw liefde niet sterker dan de dood,
en Uw vergeving niet dieper dan mijn nood?

Want waar Uw vergeving is, zal genezing zijn,
van de pijn en het verdriet diep van binnen,
waar Uw vergeving is zal genezing zijn
en de weg van herstel kan beginnen.

maandag 30 mei 2011

Randkerkelijk tegen wil en dank

Ik sprak laatst een zuster van onze kerkelijke gemeente. We informeerden bij elkaar naar ons geestelijk welzijn. Het gemeentelid gaf aan zich steeds meer een randkerkelijke te voelen. Dat verbaasde mij omdat zij trouw de kerkdiensten bezoekt, tot voor kort actief deelnam aan commissie(s), aanwezig is op gemeentevergaderingen, de kerk lief heeft, etc. Hoe kan zij zich dan randkerkelijk voelen?

Maar wat is een randkerkelijke eigenlijk? Dat is iemand die zich aan de rand of de marge van de kerk ophoudt, de kerkdiensten en vergaderingen niet of nauwelijks bezoekt, niet deelneemt aan kerkelijke activiteiten, etc. Ik denk dat de zuster vooral dit bedoelde: dat ze zich steeds meer terugtrekt naar de rand van de kerk. Weg uit het centrum van de kerk. Maar waarom? Het predicaat ‘randkerkelijke’ past helemaal niet bij haar. Zij, ik en anderen zijn randkerkelijke tegen wil en dank.

Nu is daar terecht tegen in te brengen, dat het je terugtrekken naar de rand van de kerk een keuze is. Je wil speelt een rol in die terugtrekkende beweging. Maar anderzijds kun je met zoveel demotivatoren in de gemeente te maken krijgen, dat je op adem moet komen in de betrekkelijke rust aan de rand van de kerk. Mensen zoeken de rand op vanwege alles wat ze hebben meegemaakt in het centrum van de gemeente. Ze zijn teleurgesteld. Ze zijn moe. Brede randen en een smal centrum in de kerk zijn symptomen van een zieke gemeente. Juist bij randkerkelijke-tegen-wil-en-dank kan een gemeente ontdekken welke blokkades er zijn in de gemeenschap en welke krachten er werken. Zij houden de gemeente een spiegel voor (Anselm Grün).

donderdag 26 mei 2011

Positie van geliefd-zijn

Ik schreef al eerder over het verschil tussen de zondaar en zonde. Over onze positie en ons gedrag. Cloud schrijft in ‘4 stappen naar een sterke identiteit’ daar ook mooie woorden over.

“Het echte punt is de zonde, niet de zondaar. We moeten niet in een draaimolen van gevoelens zitten alsof we goed zijn als we goede dingen doen en slecht als we slechte dingen doen. We staan in een constantie positie van geliefd-zijn. Veel christenen blijven in de draaimolen zitten. Ze denken dat ze van een positie van vergeving naar een positie van schuld gaan, en dan weer terug naar vergeving, enzovoort. Ze voelen zich nooit veilig aanvaard.”

Als kind van God (positie, identiteit) weten we ons aanvaard, geliefd. En als kind van God zien we goede én slechte dingen in ons leven. Door die slechte dingen wordt onze positie van geliefd kind gelukkig niet anders. Die positie hebben wij niet aan onszelf te danken. We zijn door Christus aanvaard als Gods kinderen. Dat is genade.

maandag 23 mei 2011

Aanvaard het werkelijke ik

Henry Cloud schrijft in zijn boek ‘4 stappen naar een sterke identiteit’ over goed en kwaad, over het ideale ik en de werkelijke ik. Hij schrijft dat het heel belangrijk is om te kunnen gaan met het tegelijkertijd aanwezig zijn van goed en kwaad (slechtheid), omdat wijzelf, de wereld, de kerk, andere mensen precies hetzelfde zijn: goed en slecht. Cloud schrijft: “Hij (AG: God) zegt dat we ongelooflijk mooi zijn en ook uiterst zondig.” Deze zin komen we ook in iets andere vorm tegen bij Keller: “Je bent zondiger en gebrekkiger dan je ooit kunt geloven én meer geaccepteerd en bemint dan je ooit hebt durven hopen.”

Hoe gaan we hier nu mee om? Het lijkt zo’n tegenstelling. Volgens Cloud is aanvaarding het antwoord op het dilemma van ideaal tegenover echt (werkelijk). Aanvaarding is genade. “Als we op het punt komen van ‘geen veroordeling’ van het werkelijke ik zoals het is, kunnen we belijden wat fout is en in relatie staan zoals we zijn, zonder druk om ideaal te moeten zijn. Het ideale en het werkelijke bevechten elkaar niet en er kan een goede relatie groeien. Een goede relatie betekent vasthouden aan het ideaal en tegelijkertijd het werkelijke aanvaarden. Deze strategie splitst het goede en het slechte niet en het is niet boos of veroordelend, maar neemt het goede en slechte tegelijkertijd. Net zoals we het slechte en het goede in onszelf aanvaarden, moeten we het ook in anderen aanvaarden.”

zaterdag 21 mei 2011

De echte kerk

Theologie, vorming, gemeenschap, missie.

“De kerk waar ik bij wil horen, een echte kerk, zal een geestelijke theologie onderwijzen die een honger naar geestelijke vorming opwekt, die de behoefte aan een geestelijke gemeenschap naar boven haalt, die dan haar middelen mobiliseert voor een geestelijke missie."

De ideale kerk – Waar onvolmaakte mensen God ontmoeten van Larry Crabb

dinsdag 17 mei 2011

Een preek is niet voldoende

Jos Douma schreef een vijftal blogs over ‘Hoe word ik vriendelijker?’. Het is vooral zijn inleiding die mij tot nadenken aanzet. “Naar een preek luisteren die gaat over vriendelijkheid heeft nog niet direct als effect dat je ook vriendelijker wordt.” Het horen van een preek over de ´vrucht van de Geest´ betekent niet per definitie dat er vervolgens daadwerkelijk ´een leerproces c.q. veranderingsproces´ op gang komt bij de luisteraars.

Dat lijkt een open deur. Je hoeft de Bijbel maar open te slaan om allerlei voorbeelden te vinden. Jezus preekte wat af, maar bij (een deel van) de luisteraars kwam er geen veranderingsproces op gang. Ook de gelijkenis van de zaaier (Matteüs 13) gaat over hoorders (luisteraars) die wel onder het gehoor zitten, maar niet veranderen.

Blijkbaar kan een predikant zich het vuur uit zijn sloffen preken terwijl het geen of weinig effect heeft. Er is meer nodig dan alleen een voluit Bijbelse preek. Voor mij is dat al een belangrijke constatering. Temeer omdat we steeds meer een zondagskerk lijken te worden. Christenen moeten het in toenemende mate vooral van de zondagse eredienst hebben en dan constateren we ook nog dat het effect van al die prediking soms ver te zoeken is. Een kerkenraad is dus niet klaar met het zetten van een stempel van goedkeuring op de noeste preekarbeid van een predikant.

Jos realiseert zich dat en schrijft: “Hoe stimuleer ik dat mensen daadwerkelijk gaan participeren in het veranderingsproces dat de Geest op gang wil brengen (…)?” Hij gebruikt daarvoor het patroon dat Larry Crabb aanreikt in zijn boek ‘De ideale kerk’. Een patroon met de elementen: spirituele theologie, spirituele vorming, spirituele gemeenschap en spirituele missie. Ik zal het belang van de zondagse erediensten niet ontkennen, maar zetten we niet te eenzijdig onze kaarten op de woordverkondiging? Moet de aanpak niet veelmeer een gecombineerde aanpak zijn van theologie, vorming, gemeenschap en missie?

Lees ook mijn blog ‘Veranderen door te begrijpen

zaterdag 14 mei 2011

Ingrediënten voor groei

Henry Cloud schrijft in zijn boek ‘4 stappen naar een sterke identiteit’ drie ingrediënten voor groei. Groei in de zin van veranderen naar het beeld van God. In het steeds meer lijken op Jezus. De drie ingrediënten zijn: Genade, waarheid en tijd.

Genade is het eerste ingrediënt dat nodig is om te groeien naar het beeld van God. ‘Genade is de onverdiende goedheid van God voor mensen.’ ‘Anders gezegd, genade is onvoorwaardelijke liefde en aanvaarding.’ Vanwege God genade voor ons, is er een relatie mogelijk tussen Hem en ons. ‘Het is de soort relatie die de mensheid had met God in het paradijs.’ Liefde, die relatie tussen God en ons is niet grenzeloos. De in zondegevallen mens heeft een richting, structuur nodig. Mensen hebben waarheid nodig. Liefde zonder richting, zonder grenzen, zonder waarheid leidt tot losbandigheid.

Waarheid is het tweede ingrediënt dat nodig is om te groeien naar het beeld van God. Cloud noemt in dit verband de wet als voorbeeld. ‘De wet is een blauwdruk of basisplan voor mensen om naar te leven. Het geeft hen richting en zorgt voor grenzen.’ Genade en waarheid gaan samen. Waarheid zonder genade betekent oordeel. De Bijbel noemt Jezus vol van genade en waarheid. ‘Het is door hem (AG: Jezus) dat we terug kunnen komen in de relatie die Adam had: een ongebroken verbintenis (genade) met de Ene die werkelijkheid is (waarheid).’

Het derde ingrediënt is tijd. Groei kost tijd, dus ook geestelijke groei. “Tijd is niet alleen een daad van Gods genade voor ons, ‘om ons wat ruimte te geven.’ God houdt te veel van ons om toe te laten dat we ook maar een moment langer doorgaan met zondigen dan nodig is. Tijd is geen luxe, maar noodzaak.” God is geduldig en daarom geeft hij ons tijd.

dinsdag 10 mei 2011

Veranderingen die genezen

Ik las het boek ‘4 stappen naar een sterke identiteit’ (oorspronkelijke titel: Changes That Heal) van Henry Cloud. Cloud betoogt in zijn boek dat er geen verschil bestaat tussen emotionele en geestelijke problemen. Problemen die in de praktijk vaak het stempel ‘emotioneel probleem’ meekrijgen zoals depressie, angst, paniek, schuldgevoel of verslaving, zijn volgens Cloud ook geestelijke problemen. Deze problemen ontstaan vanuit ons onvermogen om het beeld van God te weerspiegelen. “Omdat Adam en Eva in het paradijs in zonde vielen, hebben we ons ‘beeld zijn’ van God in de belangrijke gebieden van onze persoonlijkheid niet ontwikkeld. We functioneren niet zoals we geschapen zijn.”

De oplossingen liggen volgens Cloud in bepaalde ontwikkelingstaken. “Dit zijn taken die je hoogstwaarschijnlijk niet hebt afgerond toen je opgroeide. Werken aan deze taken brengt de verandering die geneest (AG: ‘changes that heal’). Deze taken houden in dat je volwassen wordt en groeit in het ‘lijken op’ degene die je heeft gemaakt. Lijken op Jezus is een proces, waarbij de Geest en de mens als het ware samenwerken. De mens wordt ingeschakeld in dat veranderproces.

Cloud schrijft: “In de loop van mijn geestelijke en professionele reis heb ik vier aspecten leren onderscheiden van Gods persoonlijkheid die, als we ze zouden ontwikkelen, ons dagelijks functioneren enorm zouden verbeteren. God is in staat vier dingen te doen die wij, zijn kinderen, moeilijk vinden:
1. Ons hechten aan anderen.
2. Onafhankelijk zijn van anderen.
3. Goed en kwaad op orde hebben.
4. Verantwoordelijkheid nemen als volwassen persoon.”
“Zonder het vermogen om deze fundamentele functies van Gods beeld in ons uit te werken, kunnen we jarenlang letterlijk vast blijven zitten. We krijgen geen grip op groei en verandering.” In zijn boek beschrijft Cloud deze vier fundamentele ontwikkelingstaken.

dinsdag 29 maart 2011

Scheid het gedrag van de persoon

Ik las in MT (Management Team) het artikel: ‘Zo houdt De Boer zijn spits in het gareel’. Het artikel gaat over het managen van lastige mensen. In het artikel worden vijf principes opgesomd waarmee lastige mensen beter in het gareel te houden zijn. Het artikel viel mij niet op omdat het over voetbal of lastige mensen gaat. Het was vooral het derde principe die mij aandacht trok: ‘Aanspreken op gedrag’. “Scheid het gedrag van de persoon. Spreek de lastpak aan op hoe hij doet en wat hij zegt en heel nadrukkelijk niet op wie hij is. De kans is daarmee veel groter dat de woorden aankomen en er voldoende ruimte overblijft om de relatie succesvol voort te zetten. (…) Als conflicten op de man worden gespeeld, is de kans klein dat het ooit nog goed komt.”

Dit principe deed mij weer terugdenken aan wat ik schreef op mijn blog ‘Anders-zijn van de ander’. Ik schreef over begrip en onbegrip over het anders-zijn van andere mensen. Na het lezen van genoemd artikel in MT realiseerde ik mij des te meer dat hier persoon en gedrag (of mening) gescheiden worden. Het gaat Boersma in het artikel over het begrip hebben voor de persoon ondanks afwijkend gedrag (of mening). Ook als je het oneens bent met iemand, moet je nog wel begrip hebben voor die persoon. Voor wie hij is.

Als Nouwen ons oproept oog te hebben voor het onvoorwaardelijk houden door God van de andere, dan gaat het om de persoon (en niet om zijn gedrag). God houdt onvoorwaardelijk van ons ondanks afwijkend gedrag of een onjuiste mening. Daarom mogen conflicten ook niet op de man (persoon) gespeeld worden. Wel kan en mag gedrag, een mening, etc. onderwerp van gesprek zijn. Ik vraag mij af of christenen niet meer werk moeten maken van het scheiden van het gedrag (of mening) en de persoon?

donderdag 24 maart 2011

Geen ideale kerk zonder opwekking

Larry Crabb vertelt in zijn boek ‘De ideale kerk’ dat hij bidt om een opwekking. Een opwekking voor hem persoonlijk, maar ook voor de kerk.

“Hoe meer ik bid om een opwekking, hoe meer een voor de hand liggende waarheid duidelijk wordt. Tenzij de Geest ons laat zien wat de Vader het meest verheugd (en ergert) wanneer we bijeenkomen, zullen we komen aanzetten met allerlei soorten ideeën en hoop en manieren om dingen te doen, zoals aanbidding en preken en kleine groepen, die allemaal een duivels ding gemeenschappelijk hebben, een duivels ding dat we als engelachtig zullen beschouwen: hanteerbaarheid.” Geen opwekking zonder de Geest.

In het laatste hoofdstuk ‘conclusie’ schrijft Crabb (o.a.) dit: “Dus wij kunnen noch een echte kerk tot stand brengen noch mensen naar een echte kerk trekken. Dan blijft alleen het gebed over. Opwekking hangt af van het gebed om Gods Geest, om ons te laten zien en horen wat Jezus zag en hoorde.” En in zijn ‘epiloog’ lees ik: “Als je je aangesproken voelt door wat ik in dit boek gezegd heb, bid dan om opwekking.” Geen ideale kerk zonder een opwekking.

maandag 21 maart 2011

De ideale kerk

Larry Crabb schreef een boek met de titel ‘De ideale kerk’ met als ondertitel ‘Waar onvolmaakte mensen God ontmoeten’. Voordat we Larry verdenken van idealisme noem ik ook nog de Engelse titel van het boek: Real Church. Het boek gaat dus over de ware of de echte kerk.

Crabb vertelt in het boek waarom hij deze schreef: “De kerk waar ik heen wil – waar is die? Wat is dat voor kerk? Welke kerk zou me aantrekken? Wat voor soort kerkdienst zou ik niet graag missen? Bij welke kerk zou het een voorrecht zijn om ertoe te behoren? Ik had er moeite mee om een antwoord te vinden. Daarom heb ik besloten om er meer over na te denken. Ik kan het beste nadenken met een pen in mijn hand. Vandaar dit boekje.”

Crabb begint zijn boek met een probleemstelling: “Waarom verlies ik – en anderen die al tientallen jaren trouwe, regelmatige kerkgangers zijn – de interesse om zelfs maar naar de kerk te gaan, laat staan daar actief in te worden? Is het tijd voor weer zo’n vernieuwings- of hervormingsbeweging, (…)? Of is het tijd voor mij (…) om onze toewijding te hernieuwen, onze wegen te hervormen en weer braaf terug te gaan naar de kerkbanken?”

Crabb stelt zichzelf in zijn boek allerlei vragen. Vragen zoals: Wat is een kerk? Waarom zou ik naar de kerk gaan? Naar wat voor kerk wil ik dan wel? Ook beschrijft hij de kenmerken van de ideale kerk. Crabb schreef dit boekje om zo met deze en nog veel andere vragen over de kerk te worstelen en er over na te denken.

Jos Douma schreef een aantal blogs overDe ideale kerk’.
In het Friesch Dagblad verscheen een recensie overDe ideale kerk’.

donderdag 10 maart 2011

Anders-zijn van de ander

In mijn vorige blog schreef ik over ‘onbegrip’: ‘Onbegrip is zomaar gebaseerd op onwetendheid’. Tjeerd Boersma schrijft ook over begrip en onbegrip en wel in ‘Het conflict te lijf’.[1] Volgens hem ontstaan “verreweg de meeste conflicten door een ‘onschuldig anders-zijn’ van de ander, en maar weinig door echt boevengedrag en kwade opzet”. “Doordat iedereen uniek en dus anders is, is er ook niemand die ik helemaal begrijp. Dat levert spanning op – niet te voorkomen en heel normaal.” Hij geeft aan dat je met die spanning twee kanten op kan: het kan leiden tot meer begrip óf meer onbegrip. Begrip leidt tot vertrouwen, acceptatie, respect en verrijking. Onbegrip leidt tot wantrouwen, afwijzing, verachting en scheiding.

Onschuldig anders-zijn van de ander. Over anders-zijn schrijft ook Henri Nouwen mooie woorden.[2] “Vreemden, mensen die anders zijn dan wij, maken ons vaak angstig, achterdochtig, vijandig zelfs. Hun anderszijn zorgt ervoor dat wij ons onzeker voelen.” Hoe komen wij hier van af? Hoe gaan wij om met het anders-zijn van de ander? Henri schrijft verder: “Pas als we innerlijk echt overtuigd zijn dat God onvoorwaardelijk van ons en van die ‘anderen’ houdt, kunnen we inzien dat die rijke schakering van mensen beantwoordt aan Gods onuitputtelijke innerlijke rijkdom.” Op die manier zal onze vooringenomenheid en onze vooroordelen tegen mensen langzaam verdwijnen.

[1] CV•Koers, 4 maart 2011, nr 2
[2] Een jaar met Henri Nouwen, 8 maart: leven zonder vooringenomenheid.

zaterdag 5 maart 2011

Jij en Gods genade

In CV•Koers van maart 2011 (nummer 02) staat een mooi artikel van Arie de Rover: ‘Jij en Gods genade’. In dit artikel gaat het over identiteit, gedrag, over genade e.d. Over de oudste zoon (uit de gelijkenis van de verloren zoon) en over vrij zijn in Christus.

Ik hoorde het verhaal ooit live van Arie de Rover. Een indrukwekkend verhaal door de manier waarop Arie het verhaal bracht. Maar zeker ook een indrukwekkend verhaal vanwege de inhoud. Ik denk dat het een heel fundamenteel verhaal is. Een verhaal dat velen nog niet kennen of wel kennen maar niet begrijpen of toepassen in het dagelijks leven, het geloofsleven en kerkelijk leven. Nu is dat verhaal heel kernachtig uitgeschreven op drie A4-tjes.

In veel van mijn blogs vind je genoemde onderwerpen terug: identiteit, gedrag, genade, in Christus zijn. Ook in mijn blog ‘Zonde, schuld en genade’ en de blogs die daaraan voorafgaan, vind je terug wat Arie in genoemd artikel schrijft. Het zijn onderwerpen die mij na aan het hart liggen. Die mij bezighouden. Ik hoop van harte dat nog veel mensen kennis nemen van het artikel. Onbegrip is zomaar gebaseerd op onwetendheid. En wat een onwetendheid is er over datgene waar Arie in het artikel over schrijft.

De genoemde A4-tjes zijn via de website van CV•Koers als pdf-bestand te downloaden. De hoofdredacteur van CV•Koers zegt daar het volgende over: ‘Voor dit nummer vroegen we coach/trainer Arie de Rover hierover een artikel te schrijven. Geen theologisch gepraat, maar heel praktisch: hoe verandert het Evangelie mij? Het is een verhaal geworden dat je gerust mag kopiëren en ronddelen (zie cvkoers.nl voor een pdf). Graag zelfs!’ Ik begrijp van de hoofdredacteur dat we ons geen zorgen behoeven te maken over het copyright op dit artikel. Dus: zeg het voort, downloaden, kopiëren en ronddelen maar!

donderdag 17 februari 2011

Zonde, schuld en genade

Marnix Bassie schreef op zijn weblog ‘…ik ben niet van hier…’ over vergeving en schuld. Ik sprak met hem daarover en wil nu ook graag reageren via mijn blog. Om misverstanden te voorkomen (gelukkig kent Marnix mij): ik wil met deze blog op geen enkele manier beweren dat ik de wijsheid in pacht heb. Ik voel mij verbonden met Marnix en ga naast hem staan om zo samen met hem na te denken over vergeving, schuld, genade.

Ik schreef al eerder hierover en zeg het hier opnieuw: ik denk dat wij een onderscheid moeten maken tussen onze positie, onze identiteit en ons gedrag. Onze identiteit ligt in Christus, wij zijn dood voor de zonde en levend voor God. Onze oude mens is in Christus gestorven en onze nieuwe mens met Hem opgestaan. In onze statusverandering (2000 jaar geleden bewerkstelligd door Christus) ligt de sleutel tot ons geluk. God ziet ons aan in Jezus Christus, die ons door zijn Geest deel geeft aan zijn weldaden. Wij zijn geliefde kinderen en erfgenamen van God! Duur gekocht en betaald met het bloed van Jezus Christus. Wij zijn een nieuwe schepping omdat wij één zijn met Christus. In Christus zijn wij rechtvaardig voor God.

En als wij nu zonde doen, is dat dan niet van invloed op hoe God tegen ons aan kijkt? Wordt daardoor onze positie, onze identiteit een andere? Wij doen slecht en dus zijn wij slecht? Nee, wij mogen geen isgelijkteken zetten tussen het doen van slechte dingen (gedrag) en het slecht zijn (positie, identiteit). Zonde belemmeren wel de relatie tussen God en ons, zetten die relatie onder druk, maar onze positie in die liefdesrelatie is daarmee niet een andere. Die belemmeringen moet wel weg genomen worden: God vraagt van ons bekering (berouw) en gehoorzaamheid.

Wij doen zonde en daarmee staan wij schuldig voor God. Schuld is niet voldoen aan de norm. De norm is dat wij in alles (alles = 100%!) gericht zijn op de eer van God. Zonde is ten diepste zelfgerichtheid, een gerichtheid op namaakgoden in plaats van op God. Daardoor staan wij schuldig voor God. Wij voldoen niet aan Gods norm. Om een beeld van Marnix te gebruiken: we lopen niet voor de Jordaan heen en weer zonder het beloofde land in te trekken. Nee, wij zijn het beloofde land ingetrokken en wonen daar nu (positie). Ondanks dat wij inwoners zijn (identiteit) van het beloofde land zondigen wij wel en daarmee ontstaat er schuld tegenover God. Deze schuld verandert onze positie, onze identiteit niet (wij zijn nog steeds inwoners van het beloofde land). Het belemmert wel onze relatie met God. Met onze zonde doen wij God op een ontstellende wijze tekort. Wij gedragen (gedrag) ons niet als kind van God. Gelukkig staat diezelfde God ons al op te wachten om onze zonde te vergeven, weg te doen (genade). Laten wij ons omkeren (bekeren, berouw) en naar hem toe rennen. Hij wil ons graag als zijn kind in zijn armen sluiten en tegen ons zeggen: Ik hou van je. Hij doet alsof wij nooit zonde hebben gedaan.

dinsdag 15 februari 2011

De grootheid van God volgens Johannes

Wie zich wil verdiepen in de grootheid (of heerlijkheid) van God moet het evangelie volgens Johannes eens lezen. Vooral in dit evangelie komt heel expliciet de grootheid van God aan bod. In het Nieuwe Testament komt het woord ‘grootheid’ 25 keer voor, waarvan 19 keer in het evangelie volgens Johannes.

Een aantal voorbeelden: Het begint al in hoofdstuk 1 in het bekende vers 14: “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.” Het eerste wonderteken beschrijft Johannes in hoofdstuk 2. Tijdens de bruiloft van Kana verandert Jezus water in wijn. In vers 11 staat dat Jezus zo zijn grootheid toonde. In het gebed van Jezus zoals we dat lezen in hoofdstuk 17 noemt hij een aantal keren de grootheid van zichzelf en zijn Vader.

donderdag 10 februari 2011

De grootheid van Jezus Christus

Hoe kunnen wij er zeker van zijn dat het Bijbelse portret van Jezus waar is? Die vraag stelt John Piper in het boek ‘Jezus zien en ervaren – en intens van Hem genieten’. Er zijn volgens Piper twee manieren: door historisch onderzoek en doordat ‘de goddelijke waarheid haar eigen echtheid kan bewijzen’. Het gaat Piper daarbij in genoemd boek vooral om die tweede manier. Jezus, zoals hij naar ons toekomt in de Bijbel, heeft een heerlijkheid (glorie, grootheid) waarvoor geen ander bewijs nodig is.

‘Het is alsof we de zon zien en weten dat die licht is en niet donker, of honing proeven en weten dat die zoet is en niet zuur. Er is geen lange redenering nodig, van vooronderstelling tot conclusie. Je voelt direct aan dat deze Persoon waar is en dat zijn heerlijkheid de heerlijkheid van God is.’ Kijk goed naar de Jezus van de Bijbel. Kijk naar Hem. Piper schetst in genoemd boek het Bijbelse portret van Jezus, zodat wij Jezus zien zoals Hij werkelijk is.

Volgens Piper is het doel van het evangelie niet verlossing, vergeving, rechtvaardiging, heiliging, kindschap Gods. Dit zijn slechts wegen naar iets groters: Vader, u hebt hen aan mij geschonken, laat hen dan zijn waar ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die u mij gegeven hebt omdat u mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd (Joh. 17 : 24). Het evangelie is ‘het evangelie van de heerlijkheid van Christus’, omdat het einddoel ervan is dat we de heerlijkheid (AG: of grootheid) van Christus zien, genieten en tonen.’

maandag 7 februari 2011

Discipelschap en de glorie van God

Ik verkeerde zaterdag in de gelukkige omstandigheid dat ik de mannendag in Wezep kon meemaken. Patrick Nullens en Jos Douma spraken daar over het thema ‘Ben ik discipel’. Patrick concentreerde zich daarbij vooral op Matteüs 5 : 1 – 16 en Jos op Matteüs 28 : 16 – 20. Jos gaf tijdens de mannendag de volgende omschrijving van een leerling van leraar Jezus: ‘een leerling van Jezus ben je als je Jezus bewondert om zijn wijsheid en goedheid, (…).’ Ik beperk mij nu even tot dit deel van de omschrijving.[1]

Ik moest bij deze omschrijving denken aan hoe Wolter Rose in ‘Verder met het evangelie van Jezus Christus’ het woord ‘glorie’ omschrijft. Rose geeft in genoemd document aan dat je minimaal vier woorden nodig hebt om het Evangelie uit te leggen: vrijspraak, adoptie, glorie, en transformatie. Het gaat bij glorie om een eigenschap of bijzonderheid waardoor iemand of iets een unieke uitstraling heeft, of om het feit dat iemand die bijzondere uitstraling heeft’. En dat de glorie van God een gezicht heeft gekregen, als het ware belichaamd wordt door en in Jezus Christus.

De definitie van een leerling van Jezus lijkt veel op de omschrijving van het woord glorie. Een leerling van Jezus ben je als je de glorie van God ziet. Als je oog hebt of krijgt voor het bijzondere, het unieke van Jezus Christus. Als je zicht krijgt op de grootheid van Jezus Christus. Het woord ‘glorie’ raakt ons leerling-zijn. Als wij oog krijgen voor waar het woord ‘glorie’ voor staat, als wij Jezus bewonderen om wie hij is, om het unieke, het bijzondere van deze Persoon, dan worden wij daarmee leerlingen van leraar Jezus.

[1] Jos schrijft over deze mannendag o.a. op zijn blog ‘Ben ik discipel?’. Ook schreef hij daarover een ‘bronwater’. Jos schrijft over discipelschap en het bewonderen van Jezus vooral op zijn blog 'Jezus bewonderen (Ben ik discipel? 2)'

vrijdag 4 februari 2011

Glorie van God: Jezus zien

Ik word steeds weer geraakt als ik ‘Verder met het evangelie van Jezus Christus’ van Wolter Rose lees. Rose is er wat mij betreft in geslaagd op een beperkt aantal pagina’s kernachtig de rijkdom van het evangelie onder woorden te brengen! Ik schreef daar al eerder over.

Waar het mij nu om gaat is het woord ‘glorie’. In plaats van het woord ‘glorie’ komen we ook woorden tegen als: heerlijkheid, luister, grootheid of majesteit. Rose schrijft dat het bij glorie gaat om een eigenschap of bijzonderheid waardoor iemand of iets een unieke uitstraling heeft, of om het feit dat iemand die bijzondere uitstraling heeft. En glorie maakt iets los bij mensen: ze zijn er trots op, ze zijn onder de indruk.

Mensen in de tijd van het Oude Testament (bijvoorbeeld Mozes) zagen de glorie van God en ervoeren dit als een overweldigende ervaring. Die glorie valt echter helemaal weg als deze vergeleken wordt met de glorie van Christus. Gods glorie heeft een gezicht gekregen: Jezus Christus. Die glorie kan je niet onberoerd laten. ‘Als je zijn glorie ziet en je eraan tegoed doet, dan doet dat iets met je. Als je kijkt naar en je te goed doet aan de glorie van Christus, dan ga je op Christus lijken.’

Volgens Rose is er echter een probleem: ‘Mensen kunnen de glorie van God niet meer zien, ze zijn blind voor het licht van de glorie van het Evangelie van Christus (2 Korintiërs 4:4). Zelfs als ze de feiten van Jezus’ optreden op onze planeet onder ogen zien, laat het ze onberoerd. Ze zien niet hoe bijzonder het is, hoe indrukwekkend mooi het is, ze voelen niet de onweerstaanbare aantrekkingskracht die ervan uitgaat. Het laat ze koud. Hun leven gaat niet ondersteboven.’ ‘Zonde is ten diepste het “missen” van de glorie van God: mensen gaan achteloos aan de glorie van God voorbij. Zonder ingrijpen van God zijn mensen blind voor zijn glorie.’ Maar wat voor mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Alleen de Geest kan en wil onze ogen openen zodat we oog krijgen voor de glorie van God.

dinsdag 1 februari 2011

Het juiste woord op het juiste moment

Is het altijd goed als iemand Bijbelse woorden spreekt? Of als mensen elkaar vanuit de Bijbel van repliek dienen? Ja toch! Het gaat toch om de Bijbel, om het ‘verdedigen’ van de Bijbelse waarheid?! Ds. Mark van Leeuwen denkt er toch anders over. Hij schrijft in de Reformatie [1] naar aanleiding van Spreuken 25 : 11 en 12: Het juiste woord op de juiste tijd is als een gouden appel op een zilveren schaal. Een wijze vermaning voor een luisterend oor is als een gouden ring, een sieraad van het zuiverste goud.

Het gaat om het spreken op de juiste tijd. Dat heeft dus met timing te maken. ‘Wat je zegt, moet passen bij het moment.’ Het gaat ook om het spreken van het juiste woord. ‘Je kunt flinke brokken maken, zelfs met woorden van God.’ ‘Je moet ze doseren en goed timen, weten wie je voor je hebt en in welke situatie die persoon zich bevindt; en bidden of God je de juiste woorden in je mond wil leggen. Zulke gedoseerde woorden, woorden waar over nagedacht en waarvoor gebeden is, dat zijn gouden appels op zilveren schalen.’

Volgens Mark van Leeuwen laat vers 12 zien wat een goede timing is: ‘iemand zo toespreken dat hij naar je luistert.’ Je schept zomaar afstand met je woorden. Woorden (ook Bijbelse woorden) kunnen meer kapot maken dan je lief is. Een wijze spreker is iemand die heeft geleerd te luisteren. Eerst naar God en daarna ook naar die ander, naar de luisteraar. Dien hem niet gelijk van repliek, maar vraag eerst wat hij precies bedoelt. De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de spreker. De luisteraar moet ook bereidheid tonen om echt te luisteren. Het gaat tenslotte om wijze woorden. Dat zijn bij uitstek woorden van God. De luisteraar toont wijsheid als hij daarnaar luistert. ‘Wijze woorden spreken tegen iemand die luistert, die combinatie is als een gouden ring en een sieraad van het zuiverste goud.’

Het gaat dus niet alleen om het spreken van Bijbelse woorden, maar ook om wijsheid. Ik wens iedereen (ook mezelf) veel wijsheid toe.

[1] De Reformatie, nummer 31 – jaargang 85 – ‘Spreken is goud’

maandag 24 januari 2011

Over kwetsbaarheid, intenties, persoon – zaak en wijsheid

Ik schreef op mijn blog ‘Zijn zoals Adam’ over kwetsbaarheid. Ook de blog ‘Hoe kwetsbaar is de kerk?’ gaat over (het peilen van) kwetsbaarheid. Mijn blog ‘Ongepland interactief moment’ gaat vooral over het stellen van de juiste vraag om zo door te dringen tot de kern. Doordringen tot de kern is nodig om uit te komen bij het kwetsbare, het gekwetste in mensenlevens. Om duidelijk te krijgen waar het iemand om gaat.

We geven door woorden een stukje van onze gedachten aan anderen. Dat heb ik gedaan met het schrijven van de genoemde blogs. Dat hebben anderen gedaan door hun reactie daarop te geven. Het is een vorm van je kwetsbaar opstellen. Je laat mensen in je hart kijken. Door te reageren vanuit anonimiteit geef je (wellicht onbewust) aan, dat we nog niet in alle opzichten een kwetsbare kerk zijn. Aan Anoniem en Sekel vraag ik in dit verband: waarom kom je niet voor je echte identiteit uit? Waarom stel je je niet kwetsbaar op?

Ik schreef eerder dat niet een mening of standpunt belangrijk is, maar waarom je die mening of dat standpunt hebt. Het gaat om het achterliggende motief, de intenties die je hebt. Die geven de doorslag of iets goed of fout is. Sekel verwijt mij gebrek aan (wederzijdse) liefde, ja zelfs liefdeloosheid. Liefde (en dus ook liefdeloosheid) heeft alles te maken met je hart, je motief. Over mijn motief voor het schrijven van genoemde blogs, schreef ik echter niet. Sekel kent mijn motief niet. Het is daarom ongepast om in dit verband zulke grote woorden als ‘liefdeloosheid’ te gebruiken. Waarom denk je dat ik mij liet leiden (motief) door ‘liefdeloosheid’ bij het schrijven van deze blogs?

Ik denk dat in sommige reacties persoon (predikant) en zaak (dat wat hij zegt/schrijft) met elkaar vereenzelvigd zijn (samenvallen). Ik schreef mijn blog over wat hij zegt (zaak) en dat moet je los zien van de persoon. Het (onder)scheiden van persoon en zaak kom je veel vaker tegen in kranten, bladen of op blogs. Het gaat mij in mijn blog helemaal niet om de predikant, maar om de reactie (tijdens de dienst en in het kerkblad). Die reactie is op zich niet onjuist, maar peilt niet het kwetsbare en dat was het onderwerp van genoemde blogs. Denk je dat het onderscheiden van persoon en zaak niet mogelijk is? Nee, scheiden van persoon en zaak is niet mogelijk, maar het onderscheiden van beiden wel. Bijvoorbeeld het geven van feedback is gebaseerd op precies dat principe: het gaat om gedrag (woorden, daden) en niet om de persoon. Waarom denkt Sekel dat ik de predikant onrecht aangedaan heb met mijn blog?

Zoals al eerder gemeld had ik afgelopen vrijdagavond een gesprek met iemand over deze blogs en zijn bedenkingen daartegen. Het was een goed en mooi gesprek. Zo zie je maar wat voor moois er uit kwetsbaarheid kan voortkomen! Dat had Henri Nouwen ook ervaren in Daybreak. Uit dit gesprek heb ik o.a. deze vraag voor mijzelf meegenomen: Was het wel wijs van mij om het ‘ongepland interactief moment’ als voorbeeld te noemen op m’n blog? Wijsheid heeft alles te maken met het zeggen of schrijven van het juiste woord op de juiste tijd (timing) op de juiste plaats (mondeling, per mail, een blog, etc.). Ik denk dat het een juist woord was, maar was het ook de juiste tijd en juiste plaats? Dat is een vraag voor mij.

vrijdag 21 januari 2011

Aangenomen kind krijgt vergeving

In mijn blog ‘Geaccepteerd en tegelijk zondig’ schrijf ik over Packer. Packer onderscheidt God als Vader en God als Rechter. Datzelfde onderscheid kom ik ook tegen bij Wolter Rose [1]. Rose zegt o.a. dit: “Het Evangelie is vergeving, of rechtvaardiging, maar ook heiliging. Ik ga nog een stap verder. Rechtvaardiging en heiliging samen is nog maar een half Evangelie. Rechtvaardiging en heiliging — daar zit nog het een en ander tussen. Je hebt minimaal vier woorden nodig om het Evangelie uit te leggen: vrijspraak, adoptie, glorie, en transformatie.” ‘Rechtvaardiging’ splitst Rose als het ware op in vrijspraak en adoptie en het begrip ‘heiliging’ in glorie en transformatie. Vrijspraak koppelt Rose aan zonden en aan God als Rechter. Bij adoptie ontmoeten we God als Vader. Een Vader die zegt ‘jij bent mijn aangenomen kind’. Voor de adoptie was ik slaaf en na de adoptie ben ik Gods zoon (of dochter). Ik krijg een bevoorrechte positie, een heel andere identiteit.

Ik vraag mij af of het verschil tussen ‘vrijspraak’ en ‘adoptie’ wel voldoende aandacht krijgt in ons spreken over zonden, schuld en vergeving. Adoptie: mijn zelfbeeld en identiteit hangt niet af van mijn morele (wan)prestaties. Door Christus en in Christus ben ik kind van God. Vrijspraak: mijn morele (wan)prestaties vragen om de bede ‘vergeef ons onze schulden’. Toch denk ik dat er veel mensen zijn die zonden en schuld (onbewust) betrekken op hun identiteit en zich zondaar (in de betekenis van slaaf) voelen in plaats van aangenomen kind van God. Ook denk ik dat er veel mensen zijn die hunkeren naar God als Vader die zegt: ‘Je bent mijn kind. Ik hou van je, mijn hart gaat naar je uit.’ Weten ze dat dan niet? Wordt dat hun niet verteld in de kerk? Wist Henri Nouwen het dan niet?[2] Ik denk het wel, maar ook hij had het zo nodig om dat te horen. Heel expliciet, steeds maar weer.

Rose pleit voor genoemd onderscheid tussen ‘vrijspraak’ en ‘adoptie’. Hij zegt daar dit over: ‘Je kunt het christelijke leven vergelijken met een vierwielaangedreven voertuig. Met alleen maar aandrijving op één wiel, dat van de vrijspraak, kom je niet ver: je blijft in een cirkeltje rondbewegen. Met aandrijving op twee wielen, vrijspraak en transformatie, kun je een eind komen, maar alleen zolang je je op de verharde weg bevindt. Als het terrein ruiger wordt, met hobbels en kuilen, hellingen, zand en modder kom je met tweewielaandrijving vroeg of laat vast te zitten. Een mensenleven speelt zich meestal op ruig terrein af. Als je in die omstandigheden vooruit wilt komen, dan heb je de vierwielaandrijving van het Evangelie nodig: vrijspraak, adoptie, glorie, en transformatie.’

[1] Verder met het evangelie van Jezus Christus
[2] Zie mijn blog 'Zijn zoals Adam'

donderdag 20 januari 2011

Geaccepteerd en tegelijk zondig

Ik schreef eerder over de vraag die J.I. Packer in het boek ´Groeien in Christus´ stelt bij de bede ‘vergeef ons onze schulden’. Het gaat om de volgende vraag: “Als de dood van Christus alle zonden verzoend heeft, die van het verleden, het heden en de toekomst, (en dat is ook zo) en als Gods uitspraak die de gelovigen rechtvaardigde (‘Ik aanvaard je als gerechtvaardigde om Jezus wil’) voor eeuwig geldig is (en dat is het ook), waarom moeten christenen dan hun dagelijkse zonden bij God brengen?

Ik wil het antwoord van Packer op deze vraag ook graag doorgeven: “Het antwoord ligt in het onderscheid tussen God als Rechter en God als Vader en tussen de gerechtvaardigde zondaar zijn en de aangenomen zoon zijn. Het Gebed des Heren is het gebed voor de familie, waarin Gods aangenomen kinderen hun Vader aanspreken. Hoewel hun dagelijkse gebreken hun rechtvaardiging niet ongedaan maken, kan het toch niet goed zijn tussen hen en hun Vader totdat zij ‘sorry’ hebben gezegd en Hem gevraagd hebben hun fouten over het hoofd te zien.”

Als ik Packer goed begrijp zegt hij dat ik als aangenomen (geadopteerd) kind van God het ‘Onze Vader’ bid. De zonden (schulden) die ik gedaan heb, maken mijn positie, mijn identiteit van aangenomen kind niet ongedaan. Mijn positie als geadopteerd kind staat als het ware niet ter discussie door mijn zonden. Ik ben geaccepteerd in Christus. Ik kan niets toevoegen aan én niets afdoen van mijn identiteit als kind van God. En tegelijk zondig ik als geadopteerd kind. Voor die zonden bid ik ‘vergeef ons onze schulden’. Deze bede bidden we dus niet om zo weer hersteld te worden in ons kind-zijn van God. De bede ‘vergeef ons onze schulden’ bid je juist als aangenomen kind van God. In de Vader-kind relatie gaat er (vanuit de mens gezien) het nodige fout (zonden) en daarom zeggen we ‘sorry’ tegen Vader.

dinsdag 11 januari 2011

Ongepland interactief moment

Ik schreef in mijn vorige blog over het ‘ongeplande interactieve moment’ in een morgendienst van onze gemeente waarin iemand hardop de vraag stelde: “Als wij geloven dat Jezus onze Heer is en dat Hij één keer is gestorven voor al onze zonden, waarom staan wij hier dan schuldig?” Als reactie daarop verwees de predikant naar het Onze Vader, naar de bede ‘vergeef ons onze schulden’. Maar is deze reactie een antwoord op de gestelde vraag? Een antwoord dat duidelijkheid geeft?

Packer stelt in zijn boek ‘Groeien in Christus’ bij de bespreking van de bede ‘vergeef ons onze schulden’ deze vraag: “Als de dood van Christus alle zonden verzoend heeft, die van het verleden, het heden en de toekomst, (en dat is ook zo) en als Gods uitspraak die de gelovigen rechtvaardigde (‘Ik aanvaard je als gerechtvaardigde om Jezus wil’) voor eeuwig geldig is (en dat is het ook), waarom moeten christenen dan hun dagelijkse zonden bij God brengen?” Met andere woorden de verwijzing naar de bede uit het Onze Vader kan dezelfde vraag oproepen. Met alleen een verwijzing naar de bede ‘vergeef ons onze schulden’ komen we niet verder.

‘Omdat wij nog steeds zonde doen.’ Maar is dat een antwoord op de vraag? De vraagsteller weet echt wel dat hij nog steeds last heeft van zonde. Er zijn niet zoveel mensen (in onze gemeente) die beweren dat ze geen zonde doen. Maar wat bedoelt de vraagsteller dan wel precies? Ja, is dat niet de juiste reactie op zo’n vraag? Beste broer, wat bedoel je nu precies met je vraag? Is die vraag de vraagsteller gesteld? Niet tijdens de kerkdienst (dat is ook wel voorstelbaar en begrijpelijk). Is die vraag de vraagsteller gesteld voordat er aandacht aan besteed werd in het kerkblad?

maandag 10 januari 2011

Hoe kwetsbaar is de kerk?

Bij het lezen van het boek ‘Adam – een vriendschap’ van Henri Nouwen dacht ik aan de blog van Jos Douma: ‘Kerst: kwetsbaar kerk zijn’. Jos brengt op een heel mooie manier onder woorden wat kwetsbaar kerk zijn is: “Dat vraagt om een kerk waar niet in algemene (theologische en vrome en ongetwijfeld ook correcte) termen wordt gesproken over zonde en schuld en genade en liefde, maar om geloofsgemeenschappen (groot of klein, oud of nieuw) waar mensen kwetsbaar kunnen zijn, waar gelovigen zich niet hoeven te schamen voor hun worstelingen, voor hun falen, voor hun pijn en frustratie.” De kerk zou een soort Daybreak-gemeenschap moeten zijn waar kwetsbare mensen liefdevol worden opgevangen. Waar ‘sterke’ mensen (zoals Henri) mogen ontdekken juist door de omgang met gekwetste en kwetsbare mensen (zoals Adam) hoe kwetsbaar ze feitelijk zelf zijn.

Ik moest denken aan het ‘ongeplande interactieve moment’ in een morgendienst van onze gemeente waarin iemand hardop de vraag stelde: “Als wij geloven dat Jezus onze Heer is en dat Hij één keer is gestorven voor al onze zonden, waarom staan wij hier dan schuldig?” De predikant wees als reactie op deze vraag naar de bede ‘vergeef ons onze schulden’. Maar is dat niet vooral een theologische reactie? Misschien was de vraagsteller wel een diep gekwetst mens die zo zielsgraag in de kerk hoort, dat hij een geliefd kind van God is. De genoemde reactie peilt die (mogelijke) gekwetstheid en kwetsbaarheid niet. Willen wij kwetsbaar kerk zijn? Een kerk waar een gekwetst mens ook echt kwetsbaar mag zijn? Een kerk waar ook ‘sterke’ mensen gaan ontdekken dat ze netzo kwetsbaar zijn als (andere) kwetsbare broers en zussen? Juist in onze kwetsbaarheid krijgt de Geest volop de ruimte om zijn werk te doen. Ik verlang naar zo’n kwetsbare kerk.

zondag 9 januari 2011

Zijn zoals Adam

Ik ben ‘Adam – een vriendschap’ van Henri Nouwen aan het lezen. Wat een ontroerend boek. Henri ging werken in de Arkgemeenschap van geestelijk en lichamelijk gehandicapten. Daar wordt hij geconfronteerd met het kwetsbare in de vorm van gehandicapten mensen (vooral in de persoon van Adam), maar ook met het liefdevolle van de Daybreak-gemeenschap.

Juist daar, in die veilige en vriendelijke omgeving brokkelde de verdedigingsmechanismen die Henri rond zijn innerlijke handicaps had opgetrokken af. ‘In dit klimaat van liefdevolle zorg, waar competitie en individuele prestatie geen druk op mij legden leerde ik mijzelf kennen als een heel onzekere, afhankelijke en kwetsbare persoon.’

Henri belandde in een crisis. Hij werd ‘opgenomen’ en daar leerde hij om te luisteren naar een innerlijke stem die zachtjes zei: ‘Je bent mijn kind. Ik hou van je, mijn hart gaat naar je uit.’ “Heel lang bleef ik die stem wantrouwen. Ik zei alsmaar tegen mezelf: ‘Dat is niet waar. Ik weet hoe ’t zit. Er is niets in mij dat het de moeite waard maakt om van mij te houden.’ Gelukkig had ik begeleiders die me bleven stimuleren om naar die stem te luisteren en zo kon die stem sterker gaan klinken. Toen ik eenmaal de stem kon vertrouwen was ik klaar voor de terugkeer naar Daybreak om mijn leven daar te hervatten.”

Hoeveel mensen zijn er niet die net zoals Henri last hebben van innerlijke handicaps met bijbehorende verdedigingsmechanismen. Hoeveel mensen zijn er niet die net zoals Henri zielsgraag willen horen: ‘Je bent mij kind, ik hou van je, mijn hart gaat naar je uit.’

vrijdag 7 januari 2011

Met Aad Kamsteeg op reis (3)

Aad Kamsteeg houdt in zijn boek de kerk ook een spiegel voor. Zeker in het tweede deel (vijf pijlers onder een gezonde gemeente in de 21e eeuw), maar ook al in het eerste deel. Het eerste deel is als het ware een aanzet voor deel twee van zijn boek.

Zo schrijft Aad in het eerste deel: “De vrijgemaakte kerken die ik liefheb, waren allerminst vrij van wetticisme en lopen ook in de 21e eeuw nog steeds dat gevaar. Bij mij wint de overtuiging veld dat veel persoonlijke en kerkelijke scheefgroei ten diepste te verklaren is uit onvoldoende besef van genade.” Aad houdt de kerk een spiegel voor als hij de negen kernwaarden van de Redeemer Presbyterian Church beschrijft. Kernwaarden die gericht zijn op vernieuwing van hart, kerk en stad. Hij doet ons verslag van zijn gesprek met John Miller over hoe een introverte kerk missionair kan worden. Hij geeft in zijn boek Jerram Barrs het woord en deze werkt de stelling ‘juist je sterke punten zijn ook je zwakke punten’ uit richting de gereformeerde traditie. Aad spreekt met John Piper die vertelt dat er kerken zijn waar men orthodox is in de leer, maar waar het tegelijk nogal saai is. “Maar daardoor dreigt wel het besef weg te ebben dat God kennen alles te maken heeft met houden van, met vreugde in Hem, met vervoering, met een levende band.” Aad schrijft over Tim Keller (Redeemer) en de principes die hij hanteert bij zijn prediking. Wat zou het een zegen zijn als deze principes ook wat meer gehanteerd zouden worden door andere predikanten. Aad schrijft over huisgroepen, “dat ze niet alleen essentieel zijn bij het elkaar helpen discipel van de Here Jezus te zijn, maar ook om de gemeente een missionair karakter te geven.”

Wat moet het voor Aad e.a. een boeiende reis zijn geweest. Fijn dat wij via het boek ‘de kerk die leeft’ als het ware de reis kunnen meemaken en meebeleven. Een leerzame reis was het voor Aad. Het kan ook een leerzame reis voor ons zijn.

woensdag 5 januari 2011

Met Aad Kamsteeg op reis (2)

Aad schrijft verder: “’(…) geen realistisch mens vindt het gemakkelijk zichzelf lief te hebben of te vergeven, en daarom moet iemands zelfaanvaarding gefundeerd zijn in het bewustzijn dat God hem aanvaardt in Christus. In zekere zin is de sterkste zelfliefde die we kunnen hebben (…) niet meer dan het spiegelbeeld van de levende overtuiging dat God ons liefheeft. Geloof dat in staat is zich te warmen aan het vuur van Gods liefde, en dat het niet nodig heeft liefde en zelfaanvaarding te stelen van andere bronnen, is in feite de wortel van heiliging.’”

Aad vraagt in zijn boek aandacht voor wie je in Christus bent. “’Alleen wie zich bewust van de voorrechten van zijn positie in Christus heeft de mogelijkheid om werkelijk te leven tot eer van God en naar Gods bedoeling.’” Wat zijn er veel mensen die worstelen met hun zelfaanvaarding en zelfliefde. Wordt de boodschap over wie we zijn in Christus in de kerk wel voldoende voor het voetlicht gehaald? Ook de boodschap wie wij zijn in Christus is een boodschap van genade.

De mate van onze aanvaarding door God hangt niet af van de mate van onze heiliging. “’We worden allemaal automatisch aangetrokken door de veronderstelling dat we gerechtvaardigd worden door de mate van onze heiliging.’” Dat onze redding niet zozeer afhangt van genade (Jezus Christus) maar van onze heiliging (onze prestaties, onze goede werken). “Maar wanneer dat onze grondhouding is, concentreren we ons voortdurend op de toereikendheid van onze eigen gehoorzaamheid en niet op Christus.” “’Veel van wat we hadden geïnterpreteerd als een gebrek aan heiliging in kerkmensen is in feite een gevolg van het kwijtraken van het juiste perspectief op de rechtvaardiging.’”

maandag 3 januari 2011

Met Aad Kamsteeg op reis (1)

Het boek ‘de kerk die leeft – vijf pijlers van de christelijke gemeente’ van Aad Kamsteeg bestaat uit twee delen. Een deel waarin Aad schrijft over zijn ontmoetingen begin jaren negentig met Noord-Amerikaanse voorgangers (hedendaagse puriteinen). En een deel waarin hij vijf pijlers ‘onder een gezonde gemeente in de 21e eeuw’ beschrijft. In het eerste deel komt vooral aanbod wat we rechtvaardiging en heiliging noemen. Aad geeft daarbij regelmatig het woord (via citaten) aan genoemde voorgangers.

Rechtvaardiging en heiliging hebben alles met elkaar te maken, horen onverbrekelijk bij elkaar: “(…) wanneer heiliging een andere basis krijgt dan genade, ontaardt het streven om goed te doen algauw in moralisme en wetticisme.”

Er is sprake van een volgorde: “Eerst moet ik in geloof mijn positie ‘in Christus’ innemen (AG: identiteit). (…) Pas als je dat in geloof hebt aangenomen, ga je het actief toepassen (AG: gedrag e.d.).”

“(…) in Christus zijn we volmaakt voor God (Kol. 2 : 10). En tegelijk is volmaaktheid de situatie waarnaar de gelovige zich voortdurend behoort uit te strekken.” Aad zegt het ook zo: “Ik moet tot mijn laatste snik – vertrouwend op de heilige Geest – vechten om mij mijn nieuwe identiteit te binnen te brengen en om in overeenstemming daarmee te denken en te doen.”

Wij moeten niet alleen kennis hebben van genade, maar genade moet diep in ons hart landen. Het is belangrijk dat je diep geraakt wordt door wat Christus voor je deed (genade). Juist dan ga je meer last krijgen van je zonden en ‘begint’ de heiliging door te breken in je leven.

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO