donderdag 17 februari 2011

Zonde, schuld en genade

Marnix Bassie schreef op zijn weblog ‘…ik ben niet van hier…’ over vergeving en schuld. Ik sprak met hem daarover en wil nu ook graag reageren via mijn blog. Om misverstanden te voorkomen (gelukkig kent Marnix mij): ik wil met deze blog op geen enkele manier beweren dat ik de wijsheid in pacht heb. Ik voel mij verbonden met Marnix en ga naast hem staan om zo samen met hem na te denken over vergeving, schuld, genade.

Ik schreef al eerder hierover en zeg het hier opnieuw: ik denk dat wij een onderscheid moeten maken tussen onze positie, onze identiteit en ons gedrag. Onze identiteit ligt in Christus, wij zijn dood voor de zonde en levend voor God. Onze oude mens is in Christus gestorven en onze nieuwe mens met Hem opgestaan. In onze statusverandering (2000 jaar geleden bewerkstelligd door Christus) ligt de sleutel tot ons geluk. God ziet ons aan in Jezus Christus, die ons door zijn Geest deel geeft aan zijn weldaden. Wij zijn geliefde kinderen en erfgenamen van God! Duur gekocht en betaald met het bloed van Jezus Christus. Wij zijn een nieuwe schepping omdat wij één zijn met Christus. In Christus zijn wij rechtvaardig voor God.

En als wij nu zonde doen, is dat dan niet van invloed op hoe God tegen ons aan kijkt? Wordt daardoor onze positie, onze identiteit een andere? Wij doen slecht en dus zijn wij slecht? Nee, wij mogen geen isgelijkteken zetten tussen het doen van slechte dingen (gedrag) en het slecht zijn (positie, identiteit). Zonde belemmeren wel de relatie tussen God en ons, zetten die relatie onder druk, maar onze positie in die liefdesrelatie is daarmee niet een andere. Die belemmeringen moet wel weg genomen worden: God vraagt van ons bekering (berouw) en gehoorzaamheid.

Wij doen zonde en daarmee staan wij schuldig voor God. Schuld is niet voldoen aan de norm. De norm is dat wij in alles (alles = 100%!) gericht zijn op de eer van God. Zonde is ten diepste zelfgerichtheid, een gerichtheid op namaakgoden in plaats van op God. Daardoor staan wij schuldig voor God. Wij voldoen niet aan Gods norm. Om een beeld van Marnix te gebruiken: we lopen niet voor de Jordaan heen en weer zonder het beloofde land in te trekken. Nee, wij zijn het beloofde land ingetrokken en wonen daar nu (positie). Ondanks dat wij inwoners zijn (identiteit) van het beloofde land zondigen wij wel en daarmee ontstaat er schuld tegenover God. Deze schuld verandert onze positie, onze identiteit niet (wij zijn nog steeds inwoners van het beloofde land). Het belemmert wel onze relatie met God. Met onze zonde doen wij God op een ontstellende wijze tekort. Wij gedragen (gedrag) ons niet als kind van God. Gelukkig staat diezelfde God ons al op te wachten om onze zonde te vergeven, weg te doen (genade). Laten wij ons omkeren (bekeren, berouw) en naar hem toe rennen. Hij wil ons graag als zijn kind in zijn armen sluiten en tegen ons zeggen: Ik hou van je. Hij doet alsof wij nooit zonde hebben gedaan.

dinsdag 15 februari 2011

De grootheid van God volgens Johannes

Wie zich wil verdiepen in de grootheid (of heerlijkheid) van God moet het evangelie volgens Johannes eens lezen. Vooral in dit evangelie komt heel expliciet de grootheid van God aan bod. In het Nieuwe Testament komt het woord ‘grootheid’ 25 keer voor, waarvan 19 keer in het evangelie volgens Johannes.

Een aantal voorbeelden: Het begint al in hoofdstuk 1 in het bekende vers 14: “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.” Het eerste wonderteken beschrijft Johannes in hoofdstuk 2. Tijdens de bruiloft van Kana verandert Jezus water in wijn. In vers 11 staat dat Jezus zo zijn grootheid toonde. In het gebed van Jezus zoals we dat lezen in hoofdstuk 17 noemt hij een aantal keren de grootheid van zichzelf en zijn Vader.

donderdag 10 februari 2011

De grootheid van Jezus Christus

Hoe kunnen wij er zeker van zijn dat het Bijbelse portret van Jezus waar is? Die vraag stelt John Piper in het boek ‘Jezus zien en ervaren – en intens van Hem genieten’. Er zijn volgens Piper twee manieren: door historisch onderzoek en doordat ‘de goddelijke waarheid haar eigen echtheid kan bewijzen’. Het gaat Piper daarbij in genoemd boek vooral om die tweede manier. Jezus, zoals hij naar ons toekomt in de Bijbel, heeft een heerlijkheid (glorie, grootheid) waarvoor geen ander bewijs nodig is.

‘Het is alsof we de zon zien en weten dat die licht is en niet donker, of honing proeven en weten dat die zoet is en niet zuur. Er is geen lange redenering nodig, van vooronderstelling tot conclusie. Je voelt direct aan dat deze Persoon waar is en dat zijn heerlijkheid de heerlijkheid van God is.’ Kijk goed naar de Jezus van de Bijbel. Kijk naar Hem. Piper schetst in genoemd boek het Bijbelse portret van Jezus, zodat wij Jezus zien zoals Hij werkelijk is.

Volgens Piper is het doel van het evangelie niet verlossing, vergeving, rechtvaardiging, heiliging, kindschap Gods. Dit zijn slechts wegen naar iets groters: Vader, u hebt hen aan mij geschonken, laat hen dan zijn waar ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die u mij gegeven hebt omdat u mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd (Joh. 17 : 24). Het evangelie is ‘het evangelie van de heerlijkheid van Christus’, omdat het einddoel ervan is dat we de heerlijkheid (AG: of grootheid) van Christus zien, genieten en tonen.’

maandag 7 februari 2011

Discipelschap en de glorie van God

Ik verkeerde zaterdag in de gelukkige omstandigheid dat ik de mannendag in Wezep kon meemaken. Patrick Nullens en Jos Douma spraken daar over het thema ‘Ben ik discipel’. Patrick concentreerde zich daarbij vooral op Matteüs 5 : 1 – 16 en Jos op Matteüs 28 : 16 – 20. Jos gaf tijdens de mannendag de volgende omschrijving van een leerling van leraar Jezus: ‘een leerling van Jezus ben je als je Jezus bewondert om zijn wijsheid en goedheid, (…).’ Ik beperk mij nu even tot dit deel van de omschrijving.[1]

Ik moest bij deze omschrijving denken aan hoe Wolter Rose in ‘Verder met het evangelie van Jezus Christus’ het woord ‘glorie’ omschrijft. Rose geeft in genoemd document aan dat je minimaal vier woorden nodig hebt om het Evangelie uit te leggen: vrijspraak, adoptie, glorie, en transformatie. Het gaat bij glorie om een eigenschap of bijzonderheid waardoor iemand of iets een unieke uitstraling heeft, of om het feit dat iemand die bijzondere uitstraling heeft’. En dat de glorie van God een gezicht heeft gekregen, als het ware belichaamd wordt door en in Jezus Christus.

De definitie van een leerling van Jezus lijkt veel op de omschrijving van het woord glorie. Een leerling van Jezus ben je als je de glorie van God ziet. Als je oog hebt of krijgt voor het bijzondere, het unieke van Jezus Christus. Als je zicht krijgt op de grootheid van Jezus Christus. Het woord ‘glorie’ raakt ons leerling-zijn. Als wij oog krijgen voor waar het woord ‘glorie’ voor staat, als wij Jezus bewonderen om wie hij is, om het unieke, het bijzondere van deze Persoon, dan worden wij daarmee leerlingen van leraar Jezus.

[1] Jos schrijft over deze mannendag o.a. op zijn blog ‘Ben ik discipel?’. Ook schreef hij daarover een ‘bronwater’. Jos schrijft over discipelschap en het bewonderen van Jezus vooral op zijn blog 'Jezus bewonderen (Ben ik discipel? 2)'

vrijdag 4 februari 2011

Glorie van God: Jezus zien

Ik word steeds weer geraakt als ik ‘Verder met het evangelie van Jezus Christus’ van Wolter Rose lees. Rose is er wat mij betreft in geslaagd op een beperkt aantal pagina’s kernachtig de rijkdom van het evangelie onder woorden te brengen! Ik schreef daar al eerder over.

Waar het mij nu om gaat is het woord ‘glorie’. In plaats van het woord ‘glorie’ komen we ook woorden tegen als: heerlijkheid, luister, grootheid of majesteit. Rose schrijft dat het bij glorie gaat om een eigenschap of bijzonderheid waardoor iemand of iets een unieke uitstraling heeft, of om het feit dat iemand die bijzondere uitstraling heeft. En glorie maakt iets los bij mensen: ze zijn er trots op, ze zijn onder de indruk.

Mensen in de tijd van het Oude Testament (bijvoorbeeld Mozes) zagen de glorie van God en ervoeren dit als een overweldigende ervaring. Die glorie valt echter helemaal weg als deze vergeleken wordt met de glorie van Christus. Gods glorie heeft een gezicht gekregen: Jezus Christus. Die glorie kan je niet onberoerd laten. ‘Als je zijn glorie ziet en je eraan tegoed doet, dan doet dat iets met je. Als je kijkt naar en je te goed doet aan de glorie van Christus, dan ga je op Christus lijken.’

Volgens Rose is er echter een probleem: ‘Mensen kunnen de glorie van God niet meer zien, ze zijn blind voor het licht van de glorie van het Evangelie van Christus (2 Korintiërs 4:4). Zelfs als ze de feiten van Jezus’ optreden op onze planeet onder ogen zien, laat het ze onberoerd. Ze zien niet hoe bijzonder het is, hoe indrukwekkend mooi het is, ze voelen niet de onweerstaanbare aantrekkingskracht die ervan uitgaat. Het laat ze koud. Hun leven gaat niet ondersteboven.’ ‘Zonde is ten diepste het “missen” van de glorie van God: mensen gaan achteloos aan de glorie van God voorbij. Zonder ingrijpen van God zijn mensen blind voor zijn glorie.’ Maar wat voor mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Alleen de Geest kan en wil onze ogen openen zodat we oog krijgen voor de glorie van God.

dinsdag 1 februari 2011

Het juiste woord op het juiste moment

Is het altijd goed als iemand Bijbelse woorden spreekt? Of als mensen elkaar vanuit de Bijbel van repliek dienen? Ja toch! Het gaat toch om de Bijbel, om het ‘verdedigen’ van de Bijbelse waarheid?! Ds. Mark van Leeuwen denkt er toch anders over. Hij schrijft in de Reformatie [1] naar aanleiding van Spreuken 25 : 11 en 12: Het juiste woord op de juiste tijd is als een gouden appel op een zilveren schaal. Een wijze vermaning voor een luisterend oor is als een gouden ring, een sieraad van het zuiverste goud.

Het gaat om het spreken op de juiste tijd. Dat heeft dus met timing te maken. ‘Wat je zegt, moet passen bij het moment.’ Het gaat ook om het spreken van het juiste woord. ‘Je kunt flinke brokken maken, zelfs met woorden van God.’ ‘Je moet ze doseren en goed timen, weten wie je voor je hebt en in welke situatie die persoon zich bevindt; en bidden of God je de juiste woorden in je mond wil leggen. Zulke gedoseerde woorden, woorden waar over nagedacht en waarvoor gebeden is, dat zijn gouden appels op zilveren schalen.’

Volgens Mark van Leeuwen laat vers 12 zien wat een goede timing is: ‘iemand zo toespreken dat hij naar je luistert.’ Je schept zomaar afstand met je woorden. Woorden (ook Bijbelse woorden) kunnen meer kapot maken dan je lief is. Een wijze spreker is iemand die heeft geleerd te luisteren. Eerst naar God en daarna ook naar die ander, naar de luisteraar. Dien hem niet gelijk van repliek, maar vraag eerst wat hij precies bedoelt. De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de spreker. De luisteraar moet ook bereidheid tonen om echt te luisteren. Het gaat tenslotte om wijze woorden. Dat zijn bij uitstek woorden van God. De luisteraar toont wijsheid als hij daarnaar luistert. ‘Wijze woorden spreken tegen iemand die luistert, die combinatie is als een gouden ring en een sieraad van het zuiverste goud.’

Het gaat dus niet alleen om het spreken van Bijbelse woorden, maar ook om wijsheid. Ik wens iedereen (ook mezelf) veel wijsheid toe.

[1] De Reformatie, nummer 31 – jaargang 85 – ‘Spreken is goud’

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO