dinsdag 20 augustus 2013

Genade is een risico

Een reden voor Charles Swindoll om het boek ‘Genade is een risico’ te schrijven was: “Er gaat nauwelijks een dag voorbij of ik word herinnerd aan de noodzaak van een boek dat pleit voor de volle maat van de genade, waardoor mensen de ruimte krijgen vrij te zijn, volledig vrij in Christus.” Omdat niets zo aantrekkelijk is als genade, als vrijheid.

Maar wat is genade? ‘Van boven komende liefde is genade.’ Het tegenovergestelde van genade is ‘rechtvaardiging door eigen werken’. Genade is Gods universele goede nieuws van verlossing.’ Genade is absoluut en totaal gratis. Genade krijgen we gratis, voor niets, zonder voorwaarden. Genade moet je wel aanpakken, zoals je een cadeau aanpakt.

Maar heb je genade nodig? Swindoll pleit er voor ‘dat we onze nood toegeven en aanspraak maken op Gods genade. We moeten ons niet naar de hemel opwerken door grote prestaties te leveren en hard te werken (…).’ In plaats daarvan stelt hij voor dat we ons openlijk geestelijk failliet verklaren en Gods gratis genade accepteren. De nadruk moet niet liggen op wat wij voor God doen, maar op wat God voor ons doet. ‘

In hoofdstuk 3 geeft Swindoll een toelichting op de titel van zijn boek: ‘genade is een risico’. Met een verwijzing naar Martyn Lloyd-Jones schrijft Swindoll dat genade die in al haar charme en schoonheid wordt verkondigd, riskant is: ‘zowel genademisbruikers als genaderovers komen ervoor uit hun donkere schuilhoeken’. Genademisbruikers denken dat ze kunnen doen wat ze willen, want ze zijn immers door genade gered; en doorgaan met zondigen is helemaal niet erg, omdat daardoor de genade toeneemt. Genaderovers zijn diegene die er een wettische manier van leven op nahouden. Ze zijn bang dat ze in verleiding komen een onverantwoordelijk leven te gaan leiden. Daarom hanteren ze allerlei regels. Genaderovers gaan op een bekrompen manier om met genade. Ze kunnen niet in vrijheid van genade genieten. Vrijheid is zelfs beangstigend voor hen.

Swindoll schrijft in hoofdstuk 4 over onverdiende, maar onvoorwaardelijke liefde. Genade is niet een exclusief recht dat wij kunnen claimen bij God, maar een onverdiend voorrecht dat God ons doet toekomen. Ook is zijn liefde voor ons onvoorwaardelijk. Maar is onze liefde voor andere mensen ook onvoorwaardelijk? Of aanvaard, accepteer je andere mensen alleen als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen? Genade moet je niet alleen aanpakken van God, maar ook delen met andere mensen, haar gebruiken als basis voor vriendschap. ‘U moet er steeds weer uit putten om relaties te onderhouden.’ ‘(…) wie geeft ons het recht andere mensen voor te schrijven hoe ze moeten leven?’ ‘Om echt volwassen te zijn, moeten mensen de ruimte krijgen om te groeien. Dat houdt ook in: ruimte om te falen, om zelf te denken, om het ergens mee oneens te zijn, om fouten te maken. We moeten het risico van de genade nemen.’

‘Vrijheid is het altijd waard geweest om er voor te vechten.’ ‘Maar als het op onze christelijke vrijheid aankomt, dan geven we die zonder slag of stoot op.’ ‘Laat genoeg wettische mensen aan boord komen, en we geven het commando over aan hen.’ ‘Eén van de ernstigste problemen voor de orthodoxe christelijke kerk van onze tijd, is de wettische mentaliteit.’ In hoofdstuk 5 licht Swindoll de begrippen ‘vrijheid’ en ‘een wettische mentaliteit’ verder toe. ‘Vrijheid is bevrijd zijn van slavernij en gebondenheid.’ Bevrijd zijn van de macht van zonde en schuld. Genade brengt ook de vrijheid om de rechten en voorrechten van de bevrijding te genieten en ook anderen zo’n vrijheid te gunnen. Het is de vrijheid om onszelf te zijn, om keuzen te maken. Tegenover vrijheid staat de wettische houding of mentaliteit. Zo’n mentaliteit wil voldoen aan eisen en normen. Regels worden een obsessie. Iemand die wettisch is, meet zich een autoritaire houding aan, en voert die tot het uiterste door. Het resultaat is een onrechtmatige overheersing, die van anderen hetzelfde eist en niet weet dat eenheid iets anders is. Volgens Swindoll gebruikten de genaderovers in de eerste eeuw drie instrumenten: een valse leer, kerkelijke intimidatie en persoonlijke huichelarij. Ook noemt hij vier effectieve manieren om een wettische houding te bestrijden: blijf standvastig in uw vrijheid, probeer niet langer bij anderen in de gunst te komen, weiger u te onderwerpen aan gebondenheid, en ga eerlijk met de waarheid om .

In hoofdstuk 6 trekt Swindoll een parallel tussen ons geestelijk leven en de slavernij in het Amerika van voor 1856. ‘Wij zijn allemaal geboren in de slavendienst aan de zonde.’ ‘Er kwam een dag dat Christus ons vrij maakte.’ Maar vele christenen leven alsof ze nog steeds slaven zijn. Dit laatste was ook het geval na de officiële afschaffing van de slavernij in Amerika. Zwarte mannen en vrouwen bleven gewoon hun blanke meester dienen, tot hun dood toe. Ook wij leven liever in de veiligheid van de slavernij dan met de risico’s van de vrijheid. Eigen die vrijheid je toe.

‘Heeft vrijheid dan geen grenzen?’ vraagt Swindoll zich af in hoofdstuk 7? ‘Moeten mensen hun vrijheid niet beperken en zich in bedwang houden?’ Zeker is zijn antwoord. ‘Genade kan misbruikt worden, en dat gebeurt soms ook.’ ‘Maar ik zeg er wel onmiddellijk bij dat zo’n beperking een persoonlijke zaak is. Die moet niet voorgeschreven worden of opgelegd.’ Vrij zijn betekent dat we elkaar vrij laten. ‘We hebben geen reden om elkaar met kritiek om de oren te slaan, als er op onze lijsten (AG: wat wel mag en wat niet mag) niet hetzelfde staat.’ Deze persoonlijke lijsten is wat anders dan de lijst met geboden en verboden zoals die in de Bijbel staan. ‘Dat is een geïnspireerde lijst die we wel allemaal moeten naleven, geen persoonlijke lijstje.’

‘Genade wil niet zeggen dat we maar raak kunnen leven, zonder op de gevolgen te letten.’ Genade betekent vrij zijn om rechtvaardiging óf ongehoorzaamheid te kiezen. ‘U bent vrij om te kiezen en Gods leiding helpt u daarbij. De genade geeft ons die keuzevrijheid. Mijn advies is: laat de mensen hun eigen keuzen maken. Accepteer hen zoals ze zijn. Laten we elkaars recht op een andere mening ten volle respecteren, op een andere overtuiging, op een andere voorkeur.’

Een houding van vrijheid geven of een wettische houding, is een keuze. ‘Al naar gelang onze mentaliteit, zijn we genadegevers of genaderovers.’ Swindoll stelt in hoofdstuk 8 dat de meesten van ons te kort schieten, als het erop aankomt anderen zichzelf te laten zijn. ‘Dat komt door twee sterke, heel menselijke neigingen: we vergelijken onszelf met anderen (wat tot kritiek en rivaliteit leidt), en we proberen anderen te overheersen (wat tot manipulatie en intimidatie leidt). Deze neigingen verhinderen dat de genade in ons ontwaakt.’ In dit hoofdstuk geeft de schrijver vier praktische richtlijnen voor iedereen die anderen wil helpen de genade in hun leven toe te laten.

Hoofdstuk 9 handelt over ‘genade en meningsverschillen’. Swindoll schrijft dat meningsverschillen onvermijdelijk zijn. Het is een gevolg van verscheidenheid en individualiteit van mensen. Ook gelovige mensen verschillen soms van mening. ‘In elk meningsverschil zijn altijd twee bestanddelen: a) een probleem, en b) verschillende standpunten. In veel conflicten heeft ieder standpunt zijn waarde.’ ‘We moeten mensen zijn, die het in genade met elkaar oneens kunnen zijn, en dan verder gaan, zelfs al leidt zo’n meningsverschil tot een scheuring.’

Genade is een proces. In hoofdstuk 10 schrijft Swindoll over drie factoren die een rol spelen in dit proces: 1. het kost tijd; 2. het doet pijn; 3. het houdt verandering in. Het groeien in genade is als een pelgrimreis. De pelgrim kan (heeft) daarbij last van gevoelige of zwakken plekken. Plekken waar genade zijn heilzaam werk moet doen. Swindoll beschrijft vijf van deze plekken: onzekerheid, zwakheid, botheid, water-bij-de-wijn-doen en trots.

Swindoll vraagt in hoofdstuk 11 aan iedereen die regelmatig iets in de kerk doet: ‘Geeft u echt genade door?’ Alles wat je doet, kan je op twee manieren doen: op je eigen manier (uit eigen kracht) en op Gods manier. Er kan een verschil zijn tussen de buitenkant en de binnenkant. Bij de binnenkant gaat het om de motieven. Swindoll beschrijft verder in dit hoofdstuk twee kenmerken waaraan predikanten en voorgangers zonder genade zijn te herkennen en de eigenschappen van een ‘genadige’ voorganger.

Volgens Swindoll ligt juist in het huwelijk de grootste uitdaging voor de genade (hoofdstuk 12). ‘Hier wordt ze het zwaarst op de proef gesteld, (…).’ Hij gaat na in de bijbel wat daar over het huwelijk geschreven is. In 1 Korintiërs 7 vindt hij drie waarheden die op ieder huwelijk van toepassing zijn. Naar aanleiding van Efeziërs 5 schrijft hij ‘over de genade die nodig is om verantwoordelijkheid te dragen’ en aan de hand van 1 Petrus 3 over de rollen en taken van man en vrouw.

Hoofdstuk 13 handelt over een ‘bijzonder soort geven, waar Gods genade bij betrokken is’. Swindoll beantwoordt de vraag waarom geven zo’n heerlijke, verslavende gewoonte kan worden. Ook werkt hij aan de hand van 2 Korintiërs 9 : 6 – 15 vier dingen uit die genade aantrekkelijk maken.

Genade moet je ook aannemen, aanvaarden. Dat is het onderwerp van hoofdstuk 14. Swindoll schrijft over mensen in de bijbel die als voorbeeld kunnen dienen van mensen die zich verzetten tegen de genade en mensen die de genade aanvaarden. Hij schrijft over Mozes, Simson, Paulus en Petrus. We aanvaarden genade door een houding van nederigheid en ontvankelijkheid. Door genaderovers weg te doen in ons leven.

zondag 5 mei 2013

Eindelijk thuis: vergelijken, boosheid en afstandelijkheid


“Veroordeling bevat altijd een element van zelfrechtvaardiging en van afstandelijkheid ten opzichte van degene die we veroordelen. En in zelfrechtvaardiging zit altijd een element van vergelijking (…).” “Veroordeling bestaat meestal voor een groot deel uit minachting (…).” “Wat we zien gebeuren bij boosheid, is dat het bijna altijd leidt tot veroordeling (…).” Allemaal zinnen uit het boek ‘Gods geheime plan’ van Dallas Willard. Het gaat mij hier vooral om de aspecten ‘afstandelijkheid’, ‘vergelijking’, ‘boosheid’ en ‘minachting’ (ik heb deze aspecten in deze blog steeds cursief weergegeven). Aspecten die alles te maken hebben met ‘veroordelen’.

Henri Nouwen schrijft in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ ook over deze aspecten en kleurt ze als het ware in vanuit de gelijkenis van de verloren zoon. “De vreugde bij de terugkeer van de jongste zoon betekent geenszins dat de oudste zoon minder geliefd of minder gewaardeerd zou zijn. De vader heeft geen lievelingskind. Hij vergelijkt de twee zonen niet.” Henri schrijft dan over zichzelf: “Ik moet niet gaan vergelijken. Ik moet elke vorm van rivaliteit of wedijver loslaten en mij overgeven aan de liefde van de Vader.”

Henri vraagt in zijn boek aandacht voor de boosheid van de oudste zoon. De woorden van de oudste zoon (Lucas 15 : 28 – 30) liegen er niet om. “Zijn boosheid belet hem nu om deze terugkerende losbol te aanvaarden als zijn broer.” Hij veroordeeld zijn jongste broer. Zijn woorden spreken van afstandelijkheid. Henri schrijft dat de oudste zoon zich distantieert van zowel zijn broer als zijn vader. Afstandelijkheid, distantie staat haaks op verbondenheid. “Echte gemeenschap is onmogelijk geworden.” Wat een drama!

In ‘deel III – de vader’ van zijn boek zegt Henri het volgende: “Veel verdriet en vreugde in mijn leven vloeien rechtstreeks voort uit mijn drang om me voortdurend met anderen te vergelijken wat meestal of zelfs altijd nutteloos is en leidt tot een enorme verspilling van tijd en energie. Onze God, (…), vergelijkt niet. Nooit.” “Het vereist een innerlijke ommekeer om open te staan voor een denkwijze die boven ieder vergelijken verheven is. Toch is dit Gods manier van denken.”

“Dit is de kern van het evangelie. We worden opgeroepen elkaar op dezelfde wijze lief te hebben als God ons liefheeft. Wij worden opgeroepen om elkaar lief te hebben met dezelfde onzelfzuchtige, zoekende liefde die ons in Rembrandts afbeelding van de vader tegemoet komt. Een levensstijl van wedijveren en vergelijken biedt geen ruimte aan het mededogen waartoe wij worden opgeroepen. Waarachtig mededogen vertoont geen enkel spoor van wedijver.”

woensdag 1 mei 2013

Eindelijk thuis: autonomie


Hans Groeneboer schrijft in zijn boek ‘Leven of overleven’ over de autonomie van de mens. Hans schrijft dat God de mens het vermogen gaf een eigen autonomie te hebben. “Dat wil zeggen dat de kracht en autoriteit in de mens aanwezig zijn om een eigen weg te gaan.” De mens krijgt de ruimte om in vrijheid eigen keuzes te maken ook als deze tegen de wil van God ingaan. Vanwege die autonomie konden Adam en Eva in het paradijs kiezen te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad.

Bij het lezen van het boek ‘Eindelijk thuis’ van Henri Nouwen valt mij op dat hij de autonomie van de mens regelmatig terug laten komen. Hij schrijft over de ruimte bij mensen om eigen keuzes te maken en over vrijheid. Wat voorbeelden:
·   “Maar de Vader kon zijn kind niet dwingen thuis te blijven. Hij kon zijn geliefde zoon zijn liefde niet opdringen. Hij moest hem in vrijheid laten gaan, ook al voelde Hij de pijn die dat bij zijn zoon en bij Hemzelf zou veroorzaken.”
·   “Juist het verlies van zijn waardigheid als zoon, bracht hem tot het besef van zijn ware identiteit. (…) Op grond van dit besef koos hij het leven in plaats van de dood.”
·   “Ik kwam tot de kern van de zaak, tot de keuze die voor ieder mens de beslissende keuze is. God zegt: ‘Het leven en de dood stel Ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, door de Here, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven.’”
·   “Het licht op zijn gezicht maakt duidelijk dat ook hij (AG: de oudste zoon) geroepen is tot het licht, maar hij kan niet gedwongen worden.”
·   “Anders dan een sprookje kent de gelijkenis geen goede afloop. Hij plaatst ons oog in oog met een van de moeilijkste geestelijke keuzes van het leven. Ikzelf ben de enige die die keuze kan maken.”
·   “De liefde van de vader dwingt niet. Hoewel hij niets liever wil dan ons van onze innerlijke duisternis genezen, blijven we altijd vrij om onze eigen keuze te maken: in de duisternis blijven of in het licht van Gods liefde treden.”
·   “Ik kan altijd kiezen tussen wrok en dankbaarheid, want God is in mijn duisternis verschenen. (…) Kiezen voor dankbaarheid gaat nooit zonder inspanning.”
·   “Zijn liefde (AG: de liefde van de vader) schenkt de vrijheid om haar af te wijzen, dan wel met wederliefde te beantwoorden.”
·   “Elk moment van de dag sta ik voor de keuze: cynisme of vreugde.”

Autonomie is als het ware één kant van de medaille. Henri schrijft ook over de andere kant. “Wat ik als jongste zoon inzag, zie ik nu, als de oudste zoon, nog veel duidelijker in: ik kan mezelf niet genezen. (…) Ik kan alleen van bovenaf genezen worden, als God van boven tot mij komt. Wat voor mij onmogelijk is, is mogelijk voor God.” “Ik moet gevonden en thuisgebracht worden door een herder die naar mij op zoek gaat. Het verhaal van de verloren zoon is het verhaal van een God die mij zoekt en die niet rust voordat hij mij gevonden heeft.” “Hoewel God de Vader Zelf naar ons toekomt om ons te vinden en thuis te brengen, moeten wij bereid zijn om ons te laten vinden en thuisbrengen.” En deze laatste zin zie je beide aspecten terug: Gods werk en mensen werk (autonomie). 

vrijdag 26 april 2013

Eindelijk thuis: de vader


Henri schrijft in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ dat het schilderij in plaats van ‘De terugkeer van de verloren zoon’ ook de titel ‘Het welkom door de Barmhartige Vader’ had kunnen meekrijgen. “Jezus’ gelijkenis is in feite een ‘gelijkenis van de liefde van de Vader’.” “Zelden werd Gods onmetelijke, barmhartige liefde op een dergelijke aangrijpende manier tot uitdrukking gebracht.” “Elk detail van de gestalte van de vader – (…) – getuigt van Gods liefde voor de mensen, een liefde die er vanaf het begin al is geweest en die er altijd zal zijn.” “Het hart van de vader brandt van een mateloos verlangen om zijn kinderen thuis te brengen.”

Ik ben er van overtuigd schrijft Henri dat “veel van mijn emotionele problemen als sneeuw voor de zon zouden wegsmelten, als ik de waarheid van Gods moederlijke, niet-vergelijkende liefde kon laten doordringen tot het diepste van mijn hart.” “Ik begin nu in te zien hoe radicaal het karakter van mijn geestelijke reis zal veranderen, als ik mij God niet langer voorstel als iemand die zich schuilhoudt en het mij zo lastig mogelijk maakt om Hem te vinden.” Vervolgens stelt Henri zichzelf de vraag: “Accepteer ik wel dat ik het waard ben gezocht te worden?” “Hier raak ik de kern van mijn geestelijke strijd: de strijd tegen de miskenning, de verachting, de afkeer van mijzelf.” “De gelijkenis van de verloren zoon is het verhaal over een liefde die al bestond, voordat er van afwijzing sprake kon zijn en altijd zal blijven bestaan, hoe vaak zij ook wordt afgewezen.”

Lange tijd heeft Henri geleefd in de overtuiging, dat terugkeren naar het huis van de Vader de hoogste roeping is. Maar achter de oproep om terug te keren naar huis gaat nog een andere oproep schuil, namelijk de oproep om zelf de vader te worden. “Vader worden; die uitnodiging is de verrassende conclusie van al mijn bespiegelingen over Rembrandts De terugkeer van de verloren zoon.” “Ingaan in het huis van de Vader houdt in, dat ik het leven van de Vader tot mijn leven maak en dat ik veranderd word tot zijn beeld.” “Worden als de hemelse Vader is niet slechts een belangrijk aspect van Jezus’ leer, het is er de kern van.”

“Jezus is de ware Zoon van de Vader. Wanneer wij de vader worden, is Hij ons voorbeeld.” “Door hem (AG: Jezus) kan ik weer een ware zoon worden en als een ware zoon kan ik groeien tot ik net zo barmhartig word als onze hemelse Vader.” “Verdriet, vergeving en edelmoedigheid zijn (…) de drie wegen waarlangs het beeld van de vader in mij kan groeien. Het zijn drie aspecten van de oproep van de Vader om bij Hem thuis te blijven.”

“Met ontzag sta ik op de plek waar Rembrandt mij heeft gebracht. Hij leidde mij van de knielende, verwonde jongste zoon naar de staande, over hem heen buigende vader; van de plek waar ik gezegend word naar de plek waar ik moet zegenen.” 

donderdag 25 april 2013

Eindelijk thuis: de oudste zoon


Het tweede deel van de geestelijke reis van Henri, zoals beschreven in ´Eindelijk thuis´ gaat over de oudste zoon. Hoe meer hij over de oudste zoon nadenkt, des te meer herkent hij zichzelf in hem. Het kost hem geen moeite om zich te identificeren met de oudste zoon. Ook de oudste zoon raakte verloren en op drift, hoewel hij thuisbleef. “Deze verlorenheid kenmerkt zich door oordelen en veroordelen, door boosheid en wrok, door bitterheid en jaloezie. Niets is zo funest en zo schadelijk voor het hart dan juist deze verlorenheid.” De verlorenheid van de jongste zoon is heel doorzichtig. De verlorenheid van de oudste zoon is veel moeilijker te onderkennen.

“Deze ervaring: niet in staat te zijn binnen te treden in de vreugde van een ander, is de ervaring van een hart vol wrok. De oudste zoon kon het huis niet binnengaan om de vreugde van zijn vader te delen. Zijn zelfbeklag verlamde hem en daardoor kon hij door duisternis worden overvallen.” Henri schrijft dat hoe meer hij over de oudste zoon in hem nadenkt, des te meer hij zich realiseert hoe diep geworteld deze vorm van verlorenheid werkelijk is en hoe moeilijk het is om vanuit zo’n houding terug te keren naar huis. Hij komt tot de conclusie: “ik kan mezelf niet genezen”.
  
“De vader wilde niet alleen de jongste zoon terug, maar ook zijn oudste.” Gods verlangen is om beide zonen naar huis terug te brengen. God houdt van beide zonen zielsveel. Met een onvoorwaardelijke liefde. Henri schrijft over zichzelf: “Ik moet gevonden en thuisgebracht worden door een herder die naar mij op zoek gaat.” Ik moest de verkeerde afhankelijkheid van een menselijke vader opgeven om terug te keren naar waarachtige afhankelijkheid van mijn hemelse Vader. Een vader die hem vrijmaakt om lief te hebben en los te komen van de behoefte om het andere mensen naar de zin te maken en door hen bevestigd te worden.

woensdag 24 april 2013

Eindelijk thuis: de jongste zoon


Henri Nouwen schrijft in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ over zijn geestelijk reis. Een reis die zich voltrekt in drie etappes. Eerst identificeert Henri zijn met de jongste zoon. De verloren zoon die weer thuiskomt. Maar thuiskomen impliceert een vertrek. De jongste zoon vertrekt met de erfenis naar verre oorden, ondanks dat zijn vader nog springen levend is. De jongste zoon geeft blijk van een ‘provocerende opstandigheid’. Hij verlaat zijn (geestelijk) huis. “Thuis, dat is het centrum van mijn wezen, waar ik de stem kan horen die zegt: ‘Jij bent mij liefste zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb’.”

Henri stelt de vraag: “Waar hoor ik thuis? Bij God of in de wereld?” “De liefde van de wereld is een voorwaardelijke liefde en zal dat ook altijd blijven. Zolang ik mijn ware identiteit zoek in de wereld van de voorwaardelijke liefde, blijf ik de slaaf van de wereld, gevangen in de cirkel van proberen en falen.” “Telkens wanneer ik de onvoorwaardelijke liefde zoek waar ze niet gevonden kan worden, ben ik de verloren zoon.” “Het lijkt er bijna op, alsof ik mijzelf en de wereld wil bewijzen dat ik Gods liefde niet nodig heb, dat ik mijzelf wel weet te redden, dat ik volledig baas in eigen leven kan zijn.”

De jongste zoon verliest uiteindelijk al zijn bezitting in een ver en vreemd land. Het bracht zijn tijd door bij de varkens en de mensen beschouwden hem zelfs niet meer als een medemens. Hij stierf bijna van de honger. Hij was op weg naar de dood. Op een gegeven moment kiest hij voor het leven in plaats van de dood. “Het besef dat de vader hem liefhad, (…), gaf hem de kracht om voor zichzelf zijn zoonschap op te eisen, ook al wist hij heel goed dat die aanspraak op geen enkele verdienste berustte.”

Henri schrijft dat kiezen voor het zoonschap echter niet eenvoudig is. “Ik wist dat ik de waardigheid van mijn zoonschap had verspeeld en kon maar niet geloven dat ‘de genade altijd groter is’ dan mijn falen.” “Een van de grootste uitdagingen van het geestelijk leven is Gods vergeving te aanvaarden.” “Om vergeving te ontvangen moet men bereid zijn om God God te laten zijn, om Hem de kans te geven alles te genezen, herstellen en vernieuwen. Zolang ik dat nog gedeeltelijk zelf wil doen, stel ik me tevreden met deeloplossingen, wil ik dagloner worden.”

dinsdag 23 april 2013

Eindelijk thuis: terugkeer van verloren zoon


Henri Nouwen schrijft in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ over het avontuur dat hij beleeft met Rembrandts’ schilderij ‘De terugkeer van de verloren zoon’. Dit schilderij beeldt het verhaal uit zoals dat beschreven is in Lucas 15 : 11 – 32. Het avontuur, de geestelijke ontdekkingsreis van Henri begint in 1983 als hij oog in oog komt te staan met een poster van het genoemde schilderij. Hij herkent zich in de verloren zoon die zich geborgen weet in de armen van zijn vader.

In 1986 maakt Henri kennis met het originele schilderij van Rembrandt en wel in het museum de Hermitage in Sint-Petersburg. Uren zit Henri op een stoel voor het schilderij en neemt hij het tafereel in zich op. Henri schrijft: “Het schilderij nam mij volledig in beslag. Dit moment was inderdaad een thuiskomst.” Henri identificeert zich achtereenvolgens met de jongste zoon, de oudste zoon en de vader. Ook Rembrandt herkent hij in de jongste, de oudste zoon en de vader. In de jongste, de oudste zoon en de vader ziet Henri ook God. Tenslotte houdt Henri ons een spiegel voor. Een spiegel in de gestalte van de jongste zoon, de oudste zoon en de vader. 

donderdag 11 april 2013

Grenzen & Kinderen (3)


Vanaf hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 13 (deel 2) in het boek 'Grenzen & Kinderen' schrijven Cloud en Townsend over tien wetten of principes over grenzen. Tien principes die kinderen moeten kennen over het stellen van grenzen. ‘Deze principes zullen je helpen grenzen te stellen op veel vlakken van het leven thuis met je kinderen. Gebruik ze om je kinderen te brengen op het punt dat ze verantwoordelijkheid kunnen dragen.’ Het gaat om de volgende tien wetten:
  1. de wet van zaaien en oogsten;
  2. de wet van verantwoordelijkheid;
  3. de wet van macht;
  4. de wet van respect;
  5. de wet van motivatie;
  6. de wet van evaluatie;
  7. de wet van vooruitgang;
  8. de wet van jaloezie;
  9. de wet van activiteit;
  10. de wet van onthulling. 
In hoofdstuk 14 (deel 3) schrijven Cloud en Townsend dat kennis van deze zaken en inzicht niet genoeg zijn. ‘Als je dit boek op tafel legt of onder het kussen van je kind, zal hem dat niet veel goed doen. Het is tijd om aan de slag te gaan. In dit hoofdstuk worden je zes stappen aangereikt voor toepassing van grenzen bij je kind.’ Zeg maar een stappenplan. 

woensdag 10 april 2013

Grenzen & Kinderen (2)


In hoofdstuk 1 van het boek 'Grenzen & Kinderen schrijven Cloud en Townsend dat het voornaamste doel van opvoeden is kinderen te helpen het karakter te ontwikkelen waarmee ze de toekomst goed tegemoet kunnen gaan. Het woord ‘karakter’ gebruiken ze om een totale beschrijving te geven van hoe iemand is. De toekomst van het kind begint dus nu. Grenzen zijn de sleutels die relaties doen slagen. ‘Kinderen worden niet met grenzen geboren. Ze maken zich grenzen eigen vanuit relaties en door discipline.’ ‘De essentie van grenzen is zelfbeheersing, verantwoordelijkheid, vrijheid en liefde. Dit is de rivierbedding voor het geestelijke leven.’

Cloud en Townsend beschrijven in hoofdstuk 2 welk soort karakter we willen ontwikkelen in onze kinderen. Ze laten enkele kwaliteiten zien die zij belangrijk achten voor volwassen gedrag. ‘Voor de ontwikkeling van dergelijke kwaliteiten zijn grenzen van essentieel belang.’ Zij noemen de volgende kwaliteiten: liefhebben, verantwoordelijkheid, vrijheid, initiatief, respect voor de realiteit, groeien, waarheidlievend en je plaats vinden in God.

‘Om een goed karakter bij een kind te kunnen ontwikkelen moeten de ouders ook een goed karakter hebben. Grenzen kunnen we onze kinderen alleen bijbrengen als we zelf grenzen hebben.’ Daarover gaat hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk doet een oproep aan ouders om ook aan jezelf te werken. ‘Ga na waar je eigen grenzen zwak zijn. Ga op zoek naar meer informatie en hulpbronnen.’

dinsdag 9 april 2013

Grenzen & Kinderen (1)


Henri Cloud en John Townsend schreven het boek ‘Grenzen & Kinderen’. In dit boek passen de schrijvers de principes die uitgelegd zijn in hun boek ‘Grenzen’ specifiek toe op kinderopvoeding. 

De nadruk in het boek ligt op principes en niet op problemen. De principes waarover de schrijvers het hebben, vormen sleutels die kinderen kunnen gebruiken om hun eigen leven op orde te krijgen. Deze sleutels hebben ze volgens het boek gevonden door de Bijbel te bestuderen op de onderwerpen ‘verantwoordelijkheid’, ‘rentmeesterschap’ en ‘zelfbeheersing’. 

Cloud en Townsend ‘hopen dat dit boek een hulp zal zijn voor ouders die het karakter van hun kind zodanig willen helpen vormen dat veel problemen voorkomen kunnen worden waar mening volwassene mee worstelt.’

Het boek bestaat uit drie delen:
  • deel 1: ‘Waarom kinderen grenzen nodig hebben’;
  • deel 2: ‘Tien principes die kinderen moeten kennen over het stellen van grenzen’;
  • deel 3: ‘Toepassing van het stellen van grenzen vaan je kinderen.

donderdag 4 april 2013

Je eigen stukje grond


Onze persoonlijkheid, onze persoonlijke identiteit kan vergeleken worden met een ‘erf’, een eigen, uniek stukje grond. Aspecten van onszelf, van onze identiteit, van onze persoonlijkheid zijn ons lichaam, onze opvattingen, onze gevoelens, ons gedrag, onze gedachten, onze talenten en vermogens, onze verlangens en onze keuzes. Allemaal aspecten of kenmerken van ons erf.

Grenzen - afbakenen
Ons eigen stukje grond is niet oneindig of onbeperkt. Nee, het is juist beperkt, afgegrensd of afgebakend. Het stukje grond kent grenzen. Onze grenzen die van anderen moeten we accepteren en respecteren.

Het is belangrijk dat wij onze eigen beperkingen (begrenzing) kennen van bijvoorbeeld onze talenten en vermogens. Of dat wij onszelf lichamelijk op de juiste manier afbakenen naar anderen toe: tot hier en niet verder. Met grenzen definiëren wij onszelf (identiteit). Zij laten zien wat van ons (persoonlijk) is en wat niet van ons is. Een grens maakt duidelijk waar wij eindigen en waar iemand anders begint.

Eigendomsrecht - vrijheid
Ons stukje grond is rechtens van ons. Wij hebben het eigendomsrecht over ons eigen stukje grond. Dat betekent dat een ander alleen met onze toestemming op ons erf mag komen. Daarnaast hebben wij ook de vrijheid om met ons erf te doen wat ons goeddunkt. Wij mogen in vrijheid onze eigen keuzes maken, onze eigen opvattingen en onze eigen gedachten hebben. Die vrijheid mag ons niet ontnomen of betwist worden door anderen.

Het is ons eigen stukje grond en van niemand anders. Wij hebben recht op onze eigen mening, onze eigen opvatting, onze eigen gedachten, ons gevoel (o.a. emoties) en recht op het maken van onze eigen keuzes. Een ander mag ons die mening, gedachten of gevoel niet betwisten of zelfs ontzeggen. Dat is namelijk 'grensoverschrijdend' gedrag: die ander begeeft zich dan zonder toestemming op ons erf. Onze opvatting, onze keuze is allereerst iets tussen ons en God. Maar een ander mag ons wel bevragen over onze mening of onze keuze. Ons proberen op andere gedachten te brengen.

Vrijheid - grenzen
De vergelijking tussen onszelf en een erf of eigen stukje grond geeft al aan, dat onze vrijheid niet onbegrensd is. Wij zijn vrij op ons eigen stukje grond. Als er geen grenzen zouden zijn, dan zouden wij (en anderen) geen eigen stukje grond meer hebben. Het ontbreken van grenzen brengt juist onvrijheid met zich mee. Grenzen zijn een voorwaarde voor vrijheid.

Verantwoordelijkheid
Wij hebben ook verantwoordelijkheid over dat eigen stukje grond. Alleen wijzelf dragen (primair) de verantwoordelijkheid over ons eigen stukje grond. Wij zijn niet (primair) verantwoordelijk voor het stukje grond van de buurman. Wij zijn dus zelf verantwoordelijk voor de keuzes die wij maken of niet maken en de consequenties die achter deze keuzes wegkomen.

Verantwoordelijkheid moeten wij ook nemen, oppakken. We moeten ons toe-eigenen wat van ons is en er verantwoordelijkheid voor nemen. Wij kunnen wel denken dat wij geen keuze hebben en er voor weglopen, maar daarmee hoort die keuze toch echt wel tot ons domein, ons stukje grond. Als onze geliefden ons teleurstellen bij het uitoefenen van hun vrijheid, dan is die teleurstelling onze verantwoordelijkheid. Ons gevoel behoort immers tot ons ‘erf’.

Wij en de ander
Dit alles staat niet los van onze relaties en onze verantwoordelijkheid naar God en onze naasten (verbondenheid) toe. Het is God die ons ons eigen stukje grond geeft. God maakt vrije mensen, met een eigen verantwoordelijkheid en begrenzing. Grenzen, vrijheid en verantwoordelijkheid zijn aspecten van onze persoonlijkheid die wij in de Bijbel terugvinden.

Ons recht op ons eigen stukje grond zijn gelijk aan de rechten van anderen op hun stukje grond. Wij hebben recht op onze mening (en anderen moeten dat recht respecteren), maar anderen hebben ook recht op hun eigen mening (en die moeten wij respecteren). 

dinsdag 2 april 2013

Vrijheid van denken


In de zaterdagbijlage van het ND van 30 maart was een portret opgenomen van Tjerk Oosterkamp met de titel ‘Gelovige met een vrij brein’. In dit artikel voert Oosterkamp o.a. een pleidooi voor de vrijheid van denken. Volgens hem is die vrijheid noodzakelijk als basis voor goede wetenschap, maar ook voor het geloof in Jezus Christus.

“Wat ik wil bewerkstelligen is dat mensen merken dat keuzes waardevol zijn, maar ook dat het slechts keuzes zijn. Niet dat ze er niet toe doen, want de gevolgen van die keuzes maken wel degelijk verschil uit. 1) Maar je bent vrij om je keuze te herzien. Ik wil mensen gevoelig maken voor: ik had deze situatie ook zó kunnen aanvliegen en dan had ik anders gereageerd. Dat zorgt voor begrip.”

“Ik ken geen religieuze traditie die dat doet op de manier waarop Jezus dat doet (AG: Jezus spreekt op een heel bijzondere, unieke manier over lijden en troost). Dat Hij zegt: ik stel de vrijheid voorop, ik zal u vrij maken. Dat betekent ook: als je gebukt gaat onder het dogma van de een of ander, dan kun je naar Jezus. Dan kun je Jezus woorden uit de mond plukken en die woorden omhoog houden tegen de kerkenraad die jou iets probeert op te leggen. De kerk bestaat uit mensen en mensen hebben de neiging hun wil aan anderen op te leggen, net zoals ik de neiging heb om mijn kinderen mijn wil op te leggen. Die neiging probeer ik te onderdrukken, en Jezus gaat me daarin voor. Dus mijn troost vind ik in wat Jezus zegt over lijden en vergeving en over vrijheid.”

1) Zie mijn blog ‘De wet van oorzaak en gevolg

donderdag 7 maart 2013

Leven of overleven (6)


Hans Groeneboer schrijft in ‘Leven of overleven’ ook een hoofdstuk over ‘rouwverwerking en seksualiteit’. Vanuit onze natuur (in het paradijs) zijn we gemaakt om te dienen en te geven. Door de zondeval richten we ons op het ontvangen in plaats van op het geven, en op het heersen in plaats van op het dienen. “Bij slachtoffers van seksueel misbruik is er genomen.” Dit onrecht wordt nog groter als het plaatsvindt tussen ouders en kinderen of andere familieleden en kinderen uit het gezin. “Deze volwassen mensen hebben – (…) – een destructieve kracht in zich, die hen ertoe kan brengen misbruik te maken van het vertrouwen van het kind.” Het kind moet een rouwproces door om deze schadelijke jeugdervaringen te verwerken.

Rituelen en symbolen zijn volgens Hans Groeneboer onmisbaar in het verwerken van pijn en verdriet, die veroorzaakt zijn door verlies. “Ze helpen om dat wat in ons onderbewuste aanwezig is ook in onze ratio tot werkelijkheid te maken.” “Rituelen en symbolen helpen om wat we niet onder woorden kunnen brengen toch te beleven.”

Hoe kom je er achter dat je de rouw in je leven niet verwerkt hebt? Door een aantal simpele vragen te stellen:
  • Hoe praatten jullie in je gezin over de overleden familieleden?
  • Hoe was de begrafenis?
  • Staat er nog een foto van opa in jullie huis?
  • Gedenken jullie de verjaardag of de sterfdag nog?
  • Staat oma nog op de verjaardagskalender met een kruisje achter haar naam?
Volgens Hans kunnen bovengenoemde vragen helpen de verwerkingsstrategieën in gezinnen op te sporen. 

woensdag 6 maart 2013

Leven of overleven (5)


In zijn boek ‘Leven of overleven’ schrijft Hans Groeneboer ook over ‘loyaliteit’. “Loyaliteit is als een natuurkracht in de ouder-kind-relaties aanwezig.” “Loyaliteit is ook een kracht die enorm veel problemen kan brengen in het leven van mensen en hun families.” Loyaliteit heeft met voorrangsregels te maken. Zo zal een kind op een gegeven moment het ouderlijk huis verlaten en een keuze maken voor een partner. Die keuze voor een partner betekent niet dat het kind deloyaal wordt aan de ouders. De partner krijgt voorrang boven de ouders.

Maar vaak is er ook loyaliteitsstrijd. Zo komt er vaak gespleten loyaliteit voor in gezinnen waarin de ouders scheiden; “Kinderen zitten klem tussen strijdende ouders en worden vaak gedwongen om keuzes te maken tussen de één of de ander.” “Deze gespleten loyaliteit brengt een enorme destructieve kracht in het leven van het kind, (…). Deze destructieve kracht komt later in andere relaties tot uiting.”

Een ander probleem in de loyaliteit binnen families kan het samengestelde gezin vormen. “Gescheiden ouders of weduwen en weduwnaars trouwen opnieuw.” “Uit loyaliteit zullen kinderen vaak meewerken in deze nieuwe situatie.” Hierbij is belangrijk dat we ons realiseren dat de nieuwe partners geen nieuwe vaders of moeders worden. “Als nieuwe partners het kind helpen om in het nieuwe gezin loyaal te blijven aan de niet-aanwezige biologische ouder, kan het heel goed gaan.”

Ook bij adoptie speelt loyaliteit een rol. Er zijn biologische ouders en adoptieouders. Er kan sprake zijn van een gespleten loyaliteit bij het kind als gevolg van twee ouderparen. “Wat rechtvaardig als deze twee ouderparen niet hoeven te strijden om de belangrijkste plaats in het leven van het kind, maar elkaar de ruimte mogen geven in het belang van elkaar, het kind en het nageslacht.”

Een veel voorkomende oorzaak van echtscheidingen ligt volgens Hans Groeneboer in het aanwezig zijn van loyaliteitsproblemen. Twee bijbelse principes lijken met elkaar in strijd te zijn. “Enerzijds leert de bijbel ons onze ouders te eren (AG: verticale loyaliteit) en anderzijds leert de bijbel ons dat een man zijn ouders verlaat en zijn vrouw aanhangt (AG: horizontale loyaliteit).” Toch kunnen deze beide regels heel goed samengaan. “Het onrecht dat partners meebrengen vanuit hun gezinnen van herkomst kan sterke nadelige gevolgen hebben voor hun nieuwe relaties.” Hans noemt als voorbeeld een vader die ongepast gezorgd heeft in zijn gezin van herkomst. Uit loyaliteit naar zijn ouders ziet hij deze ongepaste zorg niet onder ogen. De vader is nog steeds voor zijn eigen ouders aan het zorgen door niet boos op ze te zijn.

dinsdag 5 maart 2013

Leven of overleven (4)


Lijden en pijn horen bij het leven (na de zondeval). “We zullen als mens moeten leren met dit lijden en deze pijn om te gaan door goede manieren van rouwverwerking (…).” Hans Groeneboer komt in zijn boek ‘Leven of overleven’ dan met een belangrijk principe: “leren omgaan met pijn en rouw is vooral leren om te geven en nieuwe manieren vinden om weer te kunnen geven.” Voor het proces van rouwverwerking zijn zowel Gods activiteiten als onze activiteiten noodzakelijk. God respecteert daarbij onze autonomie en onze persoonlijke verantwoordelijkheid. “Als je niet wilt luisteren of je niet open wilt stellen, zal God de deur niet openbreken.”

Hans beschrijft in zijn boek ook hoe we kunnen leren om te gaan met pijn en rouw in ons leven. Hij ziet daarin een rode draad bij het verwerken van rouw.
  1. Komen in tegenwoordigheid van God: aangesloten zijn op de belangrijkste krachtbron in je leven, namelijk God. Geloof kan een belangrijke hulpbron zijn. Geloof sluit persoonlijke verantwoordelijkheid (autonomie) echter niet uit.
  2. Erkenning (aanvaarden dat het er is): rouw en verdriet mogen er zijn. Niet altijd kan rouw verwerkt worden. De rouw wordt dan (heimelijk) opgeschort.
  3. Belijden (leren erover te praten): er zal naar wegen gezocht moeten worden om het verlies onder ogen te zien, zodat de verwerking van de rouw voortgang kan vinden.
  4. Nieuwe patronen vinden in het geven: vanuit “de contextuele therapie weten we dat het onrecht bij verlies het grootst is in het feit dat er niet meer gegeven kan worden”. Voor Hans zit in dit geven ook het thema vergeven. “De bijbel leert ons hoe we door vergeving vrij worden van het onrecht, dat ons is aangedaan.” Hij noemt vergeving ook wel: “het recht van vergelding opgeven.””Maar vergeving mag nooit op de eerste plaats komen in een proces. Veel mensen hebben genade nodig om te leren geven.” 
Ieder volwassen mens draagt zorg voor de toekomst. Hans noemt dat: “het jezelf beschikbaar stellen als hulpbron”. Alleen niet alle geërfde talenten en gewoontes zullen een positieve bijdrage leveren aan het nageslacht. “Het is daarom belangrijk dat mensen hun erfgoed onder ogen kunnen zien en verwerken.” Hoe? “We moeten het onrechtvaardige leren ombuigen tot rechtvaardigheid en vervolgens verantwoord datgene doorgeven wat een positieve bijdrage zal kunnen leveren aan de toekomstige generaties.”

zaterdag 2 maart 2013

Leven of overleven (3)


In hoofdstuk 6 van het boek ‘Leven of overleven’ schrijft Hans Groeneboer over ‘overlevingsmechanismen’. Zo’n mechanisme voorziet de persoon die de pijn niet onder ogen kan zien in een manier om toch te kunnen overleven (positief). “Dit overleven is echter destructief in de huidige relaties” (negatief). Hij noemt als overlevingsmechanismen: overdracht (herinneringen en ervaringen van het verleden worden geprojecteerd op het heden), vermijding, aandragen van oplossingen en ongepast zorg, afstand creëren, isolement en het verschuiven van verantwoordelijkheid (slachtofferrol). “We kunnen spreken van een grote mate van onvrijheid als mensen in dergelijke overlevings­mechanismen terechtkomen.”

“De sleutel om onrecht te stoppen in de geschiedenis van onze geslachten zal liggen in het oppakken van de verantwoordelijkheid.” Maar wie is eigenlijk verantwoordelijk? God gaf de mens het vermogen een eigen autonomie te hebben: in de mens is kracht en autoriteit aanwezig om een eigen weg te gaan. God besloot de mens de ruimte geven van het zelf keuzes maken. “Als God de keuze maakt om de mens een eigen autonomie te geven, houdt dat ook in dat Hij kiest niet in te grijpen als de mens zijn keuze maakt!”

De mens koos in het paradijs voor zichzelf. Door de zondeval is de mens vervreemd van zijn natuurlijke gave verantwoordelijkheid te dragen. De oplossing voor dit probleem vinden we bij de wortel van waar het fout gegaan is. Het handen en voeten geven aan deze oplossing is niet gemakkelijk, omdat we dan de pijn onder ogen moet zien die veroorzaakt is door dit onrecht. Maar alleen zo kunnen we beter worden. Christus en zijn Geest willen ons daarbij helpen.

De mens is geschapen om in relatie met God te leven. Door de zondeval ontstond er een grote nood in het leven van de mens. “De geestelijke mens werd een vleselijk mens.” Het bestuurscentrum van ons leven verplaatst zich door de zondeval van onze geest naar onze ziel (vlees). God voorzag echter in de mogelijkheid om de autoriteit van de ziel terug te brengen naar de geest. Geïnspireerd door de Heilige Geest kan de mens weer een geestelijk mens worden. 

vrijdag 1 maart 2013

Leven of overleven (2)


In het boek ‘Leven of overleven’ schrijft Hans Groeneboer over het relationele netwerk. Het relationele netwerk bestaat allereerst uit de gezinnen en de families waarin we geboren zijn. Onrecht en recht komen in ieder gezin en familie voor. Ouders zorgen voor hun kinderen en kinderen voor hun ouders (zorgpatronen). Er kan ook ongepast gezorgd worden. Ongepaste zorg is zorg die ten koste gaat van jezelf. Ongepaste zorg ‘is een onrecht in de relatie tussen de ouders en het kind, en is vaak de oorzaak van het niet kunnen verwerken van rouw’.

“Wat kunnen we doen als we erachter komen dat kinderen ongepast geven of als we erachter komen dat we zelf in onze jeugd ongepast gegeven hebben?” Hans schrijft dat het hier gaat om een gezonde balans en duidelijke grenzen. Ouders moeten hun kinderen de grenzen leren van wat gepast is en wat ongepast is. Kinderen zullen vanuit loyaliteitsdrang zorgdragen voor hun ouders en de overige gezinsleden. Niet al het zorgdragen is destructief. Hierbij gaat het over de mate waarin een kind zorgdraagt, de periode (tijdsduur) van zorgdragen en of het kind erkenning krijgt van de ouders voor het zorgdragen.

‘De bron van het leven en de vrijheid om te kunnen geven vinden we (…) in de verticale lijnen in onze geslachten.’ “Het onrecht is groot als ouders emotioneel en geestelijk niet vrij zijn en toch vader en moeder worden. Het onrecht dat ze vanuit hun eigen leven niet verwerkt hebben zal door de stagnatie en de blokkades, doorgegeven worden in de nieuwe generatie.” Hans tekent hier nadrukkelijk bij aan, dat hij deze ouders niet de schuld geeft.: “Ook voor hen was het onrecht groot dat ze niet vrij waren.” We mogen ons bewust worden van onze eigen onvrijheden en deze bewustwording kan het begin zijn van een verandering (verantwoordelijkheid). Daarbij mogen we gebruik maken van de herstellende kracht van God. Als wij onze rouw goed verwerken, zullen we ook weer ruimte creëren om nieuw leven te laten groeien.

“Als ouders veroordeeld worden voor wat ze hun kinderen niet konden geven, zouden we nieuw onrecht voortbrengen.” “Het veroordelen en aanwijzen van een schuldenaar brengen ernstige blokkades in ons leven.” “Door om de schuldvraag heen te gaan en te spreken over onrecht voor allemaal kunnen we leren de rouw en emoties onder ogen te zien.” Hans onderscheidt verschil­lende soorten schuld: relationeel, geestelijk en juridisch. Door deze verschillende soorten schuld te onderscheiden, kunnen we gemakkelijker genuanceerd kijken naar het thema schuld. Ook het onderscheiden en niet verwarren van deze drie invalshoeken rond schuld voortkomt dat we in grote problemen terechtkomen. Zo is juridische rechtvaardigheid heel wat anders dan relationele rechtvaardigheid.

donderdag 28 februari 2013

Leven of overleven (1)


Hans Groeneboer schreef het boek ‘Leven of overleven – Leren omgaan met verlies en rouw’. In dit boek geeft Hans een handreiking over wat rouw en verlies precies inhouden en wat voor effect rouw en verlies hebben op ons persoonlijke leven, onze families en onze relaties. Een aantal cliënten van Hans vertrouwde in het boek zelf hun verhaal aan het papier toe. Hans schrijft bij elk verhaal zijn therapeutisch commentaar. Schokkend om deze levensverhalen te lezen. Maar ook: wat is het bijzonder en mooi om te lezen hoe genezing en herstel mag plaatsvinden bij deze cliënten.

Rouw is volgens Hans de verwerking van de pijn van het verlies. Hij onderscheidt daarbij twee soorten van verlies: natuurlijk verlies en onnatuurlijk verlies. Bij natuurlijk verlies gaat het over verlies door groei en ontwikkeling. Onnatuurlijk verlies heeft betrekking op verlies en dood die gevolg zijn van de “gevallen” wereld. Niet iedereen gaat een ‘gezond’ proces van rouwverwerking door. Er is ook niet-verwerkte rouw in het leven van mensen. Deze niet-verwerkte rouw bij mensen en hun relaties zal onherroepelijk gevolgen hebben voor dat wat ze voortbrengen.

Verlies kan grote crisissen veroorzaken in ons leven. “Onnatuurlijke verliezen hebben altijd een crisis tot gevolg.” Er is sprake van een crisis als iemands leven volkomen ontwricht raakt. Een crisis ontstaat als we tekortschieten in vaardigheden, talenten en relaties om de gebeurtenis een plaats te geven. Verlies en crisissen kunnen zich niet alleen voordoen bij (natuurlijke) personen, maar ook in organisaties, bedrijven, kerken e.d.

De mens is een relationeel of sociaal wezen en daarom is het hebben van relaties een belangrijke strategie om te overleven. Ieder mens heeft een plaats in een netwerk van relaties (de context). Belangrijk in dit relationele netwerk is de aanwezigheid van balans (van geven en ontvangen) in de relaties. Hans schrijft dat hij in het contextuele werk een belangrijk principe geleerd heeft: ‘bij de breuken in relaties liggen de bronnen van de oplossingen’. ‘Het werken aan balans is een belangrijk uitgangspunt voor genezing.’ Geven en ontvangen (balans) zijn belangrijke voedingsbronnen en heel bepalend voor de conditie van het relationele netwerk. 

dinsdag 22 januari 2013

De wet van oorzaak en gevolg

Afgelopen zondag hoorde ik een preek waarin o.a. dit gezegd werd: “Dus Gods oordeel bevestigt slechts de stand van zaken. Klaas Schilder schrijft ergens: ‘God is geen tiran: Hij geeft ieder wat hij wil. Hij legt niemand enige last op, behalve de last van de eigen keus. (…). Het (AG: of moet het ‘Hij’ zijn?) trekt slechts consequenties en maakt de ontbinding compleet die eerst nog door zijn genade werd tegengehouden’ (…).” En: “En vandaag laat Openbaring 17 ons zien: in zijn oordeel geeft God de mens slechts wat hijzelf wil.”

Dit doet mij sterk denken aan wat Cloud en Townsend (zowel in het boek ‘4 stappen naar een sterke identiteit’ als in het boek ‘Grenzen’) de wet van oorzaak en gevolg noemen. Volgens beide schrijvers noemt de Bijbel deze wet ook wel de wet van zaaien en oogsten. Dit naar aanleiding van Galaten 6 : 7 - 8: ‘Vergis u niet, God laat niet met zich spotten: wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. Wie op de akker van zijn zondige natuur zaait oogst de dood, maar wie op de akker van de Geest zaait oogst het eeuwige leven.’

Cloud en Townsend schrijven dat de wereld van God gebaseerd is op wetten en principes. Geestelijke werkelijkheden zijn net zo reeël als de zwaartekracht. ‘Wij behoren de principes te kennen die God in ons leven heeft ingeweven en moeten leren dienovereenkomstig te leven.’ ‘God heeft een geordend universum gemaakt: als wij ons op een bepaalde manier gedragen (AG: oorzaak of keuze), zullen er bepaalde dingen gebeuren (AG: gevolg of consequentie, de last van de eigen keus).’ Wellicht onbewust maken wij volop gebruik van deze wet. We zaaien om een aantal maanden later te kunnen oogsten. We werken om brood (geld) op de plank te krijgen. We proberen gezond te leven om niet ziek te worden.

Je kunt deze wet gehoorzamen en ook niet gehoorzamen. Gehoorzamen betekent dat je via een bepaald gedrag (zaaien) iets probeert te bewerkstelligen (oogsten). Je maakt gebruik van dit principe, deze wet. Mensen die deze wet niet gehoorzamen, nemen geen verantwoordelijkheid voor hun gedrag en de gevolgen die dat heeft. Ook zijn er mensen die de wet van oorzaak en gevolg niet hebben geleerd. Ze zijn veelal in gevecht met de werkelijkheid en begrijpen niet dat de gevolgen door hun zelf veroorzaakt zijn. Daarnaast zijn er nog mensen die niet oogsten wat ze zaaien omdat iemand anders tussenbeide komt en voor hen de consequenties oogst. De dader (veroorzaker) lijdt niet aan de gevolgen, maar iemand anders lijdt eronder.

God respecteert de autonomie van de mens. Een mens heeft het recht om z'n eigen keuzes te maken. God geeft ieder wat hij wil. Elke keuze heeft echter consequenties. Daar laat God geen misverstanden over bestaan. 

zaterdag 5 januari 2013

“Liefde ontvangen is liefde leven”


In mijn vorige blog schreef ik dat volgens Arie de Rover (in zijn boek ‘Leven na de genadeklap’) de jacht naar status een belangrijk levensdoel is van veel mensen. Status als voedsel, als voedselbron voor de identiteit. Maar status houdt je gevangen, maakt je onvrij. Bij het nieuwe of vrije leven hoort een andere bron: LIEFDE. “In het geval van een identiteitsrelatie tussen God en jou, springt er direct een hoofdkenmerk bovenuit: LIEFDE.” “Die liefde van God heeft jou in je hart getroffen en voedt nu je identiteit. Het ontvangen van dat identiteitsvoedsel, dat ‘geestelijke genadebrood’, verandert jouw persoonlijkheid naar de aard van dat voedsel. (…) Liefde ontvangen is liefde leven.”

Ook Dallas Willard schrijft in zijn boek Gods geheime plan’ over deze liefde. In hoofdstuk 5 van zijn boek schrijft hij over ‘De gezindheid van het koninkrijk: Meer dan de goedheid van de schriftgeleerden en farizeeën’. Dit naar aanleiding van Matteüs 5 : 21 – 48. Willard verwijst in dit hoofdstuk van zijn boek naar 1 Korintiërs 13. In de verzen 4 – 8 schrijft Paulus dat de liefde geduldig is, vol goedheid, etc. Willard schrijft vervolgens: “Maar Paulus zegt duidelijk (…) dat het de liefde is die deze dingen doet, niet wij. Wat wij moeten doen, is die liefde ‘najagen’ (1 Kor. 14 : 1).” “Deze goddelijke daden en gedragingen zijn de vrucht van het blijven in de liefde.”

Vervolgens stelt Willard de vraag: Is het moeilijk om deze dingen te doen? “Dat is echt heel moeilijk als je niet wezenlijk veranderd bent in je diepste innerlijk, als je diepste gedachten, gevoelens, zekerheden en veronderstellingen niet doortrokken zijn van liefde. Maar zodra dat gebeurt, is het niet moeilijk meer.” “Het (AG: agapèliefde) is de kern van wie we zijn of kunnen worden in verbondenheid met Hem; het is niet iets wat wij doen. De daden van liefde, waaronder het liefhebben van onze vijanden, komen dan voort uit wat de agapèliefde in ons doet en wat wij doen als we nieuwe mensen zijn geworden.”

Volgens mij zijn Dallas Willard en Arie de Rover het (opnieuw) met elkaar eens. Je hebt een bevrijde identiteit nodig om daden van liefde (op natuurlijke wijze) voort te brengen. Mooi om zo het boek ‘Gods geheime plan’ en ‘Leven na de genadeklap’ tegen elkaar aan te houden en met elkaar te vergelijken. 

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO