dinsdag 20 augustus 2013

Genade is een risico

Een reden voor Charles Swindoll om het boek ‘Genade is een risico’ te schrijven was: “Er gaat nauwelijks een dag voorbij of ik word herinnerd aan de noodzaak van een boek dat pleit voor de volle maat van de genade, waardoor mensen de ruimte krijgen vrij te zijn, volledig vrij in Christus.” Omdat niets zo aantrekkelijk is als genade, als vrijheid.

Maar wat is genade? ‘Van boven komende liefde is genade.’ Het tegenovergestelde van genade is ‘rechtvaardiging door eigen werken’. Genade is Gods universele goede nieuws van verlossing.’ Genade is absoluut en totaal gratis. Genade krijgen we gratis, voor niets, zonder voorwaarden. Genade moet je wel aanpakken, zoals je een cadeau aanpakt.

Maar heb je genade nodig? Swindoll pleit er voor ‘dat we onze nood toegeven en aanspraak maken op Gods genade. We moeten ons niet naar de hemel opwerken door grote prestaties te leveren en hard te werken (…).’ In plaats daarvan stelt hij voor dat we ons openlijk geestelijk failliet verklaren en Gods gratis genade accepteren. De nadruk moet niet liggen op wat wij voor God doen, maar op wat God voor ons doet. ‘

In hoofdstuk 3 geeft Swindoll een toelichting op de titel van zijn boek: ‘genade is een risico’. Met een verwijzing naar Martyn Lloyd-Jones schrijft Swindoll dat genade die in al haar charme en schoonheid wordt verkondigd, riskant is: ‘zowel genademisbruikers als genaderovers komen ervoor uit hun donkere schuilhoeken’. Genademisbruikers denken dat ze kunnen doen wat ze willen, want ze zijn immers door genade gered; en doorgaan met zondigen is helemaal niet erg, omdat daardoor de genade toeneemt. Genaderovers zijn diegene die er een wettische manier van leven op nahouden. Ze zijn bang dat ze in verleiding komen een onverantwoordelijk leven te gaan leiden. Daarom hanteren ze allerlei regels. Genaderovers gaan op een bekrompen manier om met genade. Ze kunnen niet in vrijheid van genade genieten. Vrijheid is zelfs beangstigend voor hen.

Swindoll schrijft in hoofdstuk 4 over onverdiende, maar onvoorwaardelijke liefde. Genade is niet een exclusief recht dat wij kunnen claimen bij God, maar een onverdiend voorrecht dat God ons doet toekomen. Ook is zijn liefde voor ons onvoorwaardelijk. Maar is onze liefde voor andere mensen ook onvoorwaardelijk? Of aanvaard, accepteer je andere mensen alleen als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen? Genade moet je niet alleen aanpakken van God, maar ook delen met andere mensen, haar gebruiken als basis voor vriendschap. ‘U moet er steeds weer uit putten om relaties te onderhouden.’ ‘(…) wie geeft ons het recht andere mensen voor te schrijven hoe ze moeten leven?’ ‘Om echt volwassen te zijn, moeten mensen de ruimte krijgen om te groeien. Dat houdt ook in: ruimte om te falen, om zelf te denken, om het ergens mee oneens te zijn, om fouten te maken. We moeten het risico van de genade nemen.’

‘Vrijheid is het altijd waard geweest om er voor te vechten.’ ‘Maar als het op onze christelijke vrijheid aankomt, dan geven we die zonder slag of stoot op.’ ‘Laat genoeg wettische mensen aan boord komen, en we geven het commando over aan hen.’ ‘Eén van de ernstigste problemen voor de orthodoxe christelijke kerk van onze tijd, is de wettische mentaliteit.’ In hoofdstuk 5 licht Swindoll de begrippen ‘vrijheid’ en ‘een wettische mentaliteit’ verder toe. ‘Vrijheid is bevrijd zijn van slavernij en gebondenheid.’ Bevrijd zijn van de macht van zonde en schuld. Genade brengt ook de vrijheid om de rechten en voorrechten van de bevrijding te genieten en ook anderen zo’n vrijheid te gunnen. Het is de vrijheid om onszelf te zijn, om keuzen te maken. Tegenover vrijheid staat de wettische houding of mentaliteit. Zo’n mentaliteit wil voldoen aan eisen en normen. Regels worden een obsessie. Iemand die wettisch is, meet zich een autoritaire houding aan, en voert die tot het uiterste door. Het resultaat is een onrechtmatige overheersing, die van anderen hetzelfde eist en niet weet dat eenheid iets anders is. Volgens Swindoll gebruikten de genaderovers in de eerste eeuw drie instrumenten: een valse leer, kerkelijke intimidatie en persoonlijke huichelarij. Ook noemt hij vier effectieve manieren om een wettische houding te bestrijden: blijf standvastig in uw vrijheid, probeer niet langer bij anderen in de gunst te komen, weiger u te onderwerpen aan gebondenheid, en ga eerlijk met de waarheid om .

In hoofdstuk 6 trekt Swindoll een parallel tussen ons geestelijk leven en de slavernij in het Amerika van voor 1856. ‘Wij zijn allemaal geboren in de slavendienst aan de zonde.’ ‘Er kwam een dag dat Christus ons vrij maakte.’ Maar vele christenen leven alsof ze nog steeds slaven zijn. Dit laatste was ook het geval na de officiële afschaffing van de slavernij in Amerika. Zwarte mannen en vrouwen bleven gewoon hun blanke meester dienen, tot hun dood toe. Ook wij leven liever in de veiligheid van de slavernij dan met de risico’s van de vrijheid. Eigen die vrijheid je toe.

‘Heeft vrijheid dan geen grenzen?’ vraagt Swindoll zich af in hoofdstuk 7? ‘Moeten mensen hun vrijheid niet beperken en zich in bedwang houden?’ Zeker is zijn antwoord. ‘Genade kan misbruikt worden, en dat gebeurt soms ook.’ ‘Maar ik zeg er wel onmiddellijk bij dat zo’n beperking een persoonlijke zaak is. Die moet niet voorgeschreven worden of opgelegd.’ Vrij zijn betekent dat we elkaar vrij laten. ‘We hebben geen reden om elkaar met kritiek om de oren te slaan, als er op onze lijsten (AG: wat wel mag en wat niet mag) niet hetzelfde staat.’ Deze persoonlijke lijsten is wat anders dan de lijst met geboden en verboden zoals die in de Bijbel staan. ‘Dat is een geïnspireerde lijst die we wel allemaal moeten naleven, geen persoonlijke lijstje.’

‘Genade wil niet zeggen dat we maar raak kunnen leven, zonder op de gevolgen te letten.’ Genade betekent vrij zijn om rechtvaardiging óf ongehoorzaamheid te kiezen. ‘U bent vrij om te kiezen en Gods leiding helpt u daarbij. De genade geeft ons die keuzevrijheid. Mijn advies is: laat de mensen hun eigen keuzen maken. Accepteer hen zoals ze zijn. Laten we elkaars recht op een andere mening ten volle respecteren, op een andere overtuiging, op een andere voorkeur.’

Een houding van vrijheid geven of een wettische houding, is een keuze. ‘Al naar gelang onze mentaliteit, zijn we genadegevers of genaderovers.’ Swindoll stelt in hoofdstuk 8 dat de meesten van ons te kort schieten, als het erop aankomt anderen zichzelf te laten zijn. ‘Dat komt door twee sterke, heel menselijke neigingen: we vergelijken onszelf met anderen (wat tot kritiek en rivaliteit leidt), en we proberen anderen te overheersen (wat tot manipulatie en intimidatie leidt). Deze neigingen verhinderen dat de genade in ons ontwaakt.’ In dit hoofdstuk geeft de schrijver vier praktische richtlijnen voor iedereen die anderen wil helpen de genade in hun leven toe te laten.

Hoofdstuk 9 handelt over ‘genade en meningsverschillen’. Swindoll schrijft dat meningsverschillen onvermijdelijk zijn. Het is een gevolg van verscheidenheid en individualiteit van mensen. Ook gelovige mensen verschillen soms van mening. ‘In elk meningsverschil zijn altijd twee bestanddelen: a) een probleem, en b) verschillende standpunten. In veel conflicten heeft ieder standpunt zijn waarde.’ ‘We moeten mensen zijn, die het in genade met elkaar oneens kunnen zijn, en dan verder gaan, zelfs al leidt zo’n meningsverschil tot een scheuring.’

Genade is een proces. In hoofdstuk 10 schrijft Swindoll over drie factoren die een rol spelen in dit proces: 1. het kost tijd; 2. het doet pijn; 3. het houdt verandering in. Het groeien in genade is als een pelgrimreis. De pelgrim kan (heeft) daarbij last van gevoelige of zwakken plekken. Plekken waar genade zijn heilzaam werk moet doen. Swindoll beschrijft vijf van deze plekken: onzekerheid, zwakheid, botheid, water-bij-de-wijn-doen en trots.

Swindoll vraagt in hoofdstuk 11 aan iedereen die regelmatig iets in de kerk doet: ‘Geeft u echt genade door?’ Alles wat je doet, kan je op twee manieren doen: op je eigen manier (uit eigen kracht) en op Gods manier. Er kan een verschil zijn tussen de buitenkant en de binnenkant. Bij de binnenkant gaat het om de motieven. Swindoll beschrijft verder in dit hoofdstuk twee kenmerken waaraan predikanten en voorgangers zonder genade zijn te herkennen en de eigenschappen van een ‘genadige’ voorganger.

Volgens Swindoll ligt juist in het huwelijk de grootste uitdaging voor de genade (hoofdstuk 12). ‘Hier wordt ze het zwaarst op de proef gesteld, (…).’ Hij gaat na in de bijbel wat daar over het huwelijk geschreven is. In 1 Korintiërs 7 vindt hij drie waarheden die op ieder huwelijk van toepassing zijn. Naar aanleiding van Efeziërs 5 schrijft hij ‘over de genade die nodig is om verantwoordelijkheid te dragen’ en aan de hand van 1 Petrus 3 over de rollen en taken van man en vrouw.

Hoofdstuk 13 handelt over een ‘bijzonder soort geven, waar Gods genade bij betrokken is’. Swindoll beantwoordt de vraag waarom geven zo’n heerlijke, verslavende gewoonte kan worden. Ook werkt hij aan de hand van 2 Korintiërs 9 : 6 – 15 vier dingen uit die genade aantrekkelijk maken.

Genade moet je ook aannemen, aanvaarden. Dat is het onderwerp van hoofdstuk 14. Swindoll schrijft over mensen in de bijbel die als voorbeeld kunnen dienen van mensen die zich verzetten tegen de genade en mensen die de genade aanvaarden. Hij schrijft over Mozes, Simson, Paulus en Petrus. We aanvaarden genade door een houding van nederigheid en ontvankelijkheid. Door genaderovers weg te doen in ons leven.

zondag 5 mei 2013

Eindelijk thuis: vergelijken, boosheid en afstandelijkheid


“Veroordeling bevat altijd een element van zelfrechtvaardiging en van afstandelijkheid ten opzichte van degene die we veroordelen. En in zelfrechtvaardiging zit altijd een element van vergelijking (…).” “Veroordeling bestaat meestal voor een groot deel uit minachting (…).” “Wat we zien gebeuren bij boosheid, is dat het bijna altijd leidt tot veroordeling (…).” Allemaal zinnen uit het boek ‘Gods geheime plan’ van Dallas Willard. Het gaat mij hier vooral om de aspecten ‘afstandelijkheid’, ‘vergelijking’, ‘boosheid’ en ‘minachting’ (ik heb deze aspecten in deze blog steeds cursief weergegeven). Aspecten die alles te maken hebben met ‘veroordelen’.

Henri Nouwen schrijft in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ ook over deze aspecten en kleurt ze als het ware in vanuit de gelijkenis van de verloren zoon. “De vreugde bij de terugkeer van de jongste zoon betekent geenszins dat de oudste zoon minder geliefd of minder gewaardeerd zou zijn. De vader heeft geen lievelingskind. Hij vergelijkt de twee zonen niet.” Henri schrijft dan over zichzelf: “Ik moet niet gaan vergelijken. Ik moet elke vorm van rivaliteit of wedijver loslaten en mij overgeven aan de liefde van de Vader.”

Henri vraagt in zijn boek aandacht voor de boosheid van de oudste zoon. De woorden van de oudste zoon (Lucas 15 : 28 – 30) liegen er niet om. “Zijn boosheid belet hem nu om deze terugkerende losbol te aanvaarden als zijn broer.” Hij veroordeeld zijn jongste broer. Zijn woorden spreken van afstandelijkheid. Henri schrijft dat de oudste zoon zich distantieert van zowel zijn broer als zijn vader. Afstandelijkheid, distantie staat haaks op verbondenheid. “Echte gemeenschap is onmogelijk geworden.” Wat een drama!

In ‘deel III – de vader’ van zijn boek zegt Henri het volgende: “Veel verdriet en vreugde in mijn leven vloeien rechtstreeks voort uit mijn drang om me voortdurend met anderen te vergelijken wat meestal of zelfs altijd nutteloos is en leidt tot een enorme verspilling van tijd en energie. Onze God, (…), vergelijkt niet. Nooit.” “Het vereist een innerlijke ommekeer om open te staan voor een denkwijze die boven ieder vergelijken verheven is. Toch is dit Gods manier van denken.”

“Dit is de kern van het evangelie. We worden opgeroepen elkaar op dezelfde wijze lief te hebben als God ons liefheeft. Wij worden opgeroepen om elkaar lief te hebben met dezelfde onzelfzuchtige, zoekende liefde die ons in Rembrandts afbeelding van de vader tegemoet komt. Een levensstijl van wedijveren en vergelijken biedt geen ruimte aan het mededogen waartoe wij worden opgeroepen. Waarachtig mededogen vertoont geen enkel spoor van wedijver.”

woensdag 1 mei 2013

Eindelijk thuis: autonomie


Hans Groeneboer schrijft in zijn boek ‘Leven of overleven’ over de autonomie van de mens. Hans schrijft dat God de mens het vermogen gaf een eigen autonomie te hebben. “Dat wil zeggen dat de kracht en autoriteit in de mens aanwezig zijn om een eigen weg te gaan.” De mens krijgt de ruimte om in vrijheid eigen keuzes te maken ook als deze tegen de wil van God ingaan. Vanwege die autonomie konden Adam en Eva in het paradijs kiezen te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad.

Bij het lezen van het boek ‘Eindelijk thuis’ van Henri Nouwen valt mij op dat hij de autonomie van de mens regelmatig terug laten komen. Hij schrijft over de ruimte bij mensen om eigen keuzes te maken en over vrijheid. Wat voorbeelden:
·   “Maar de Vader kon zijn kind niet dwingen thuis te blijven. Hij kon zijn geliefde zoon zijn liefde niet opdringen. Hij moest hem in vrijheid laten gaan, ook al voelde Hij de pijn die dat bij zijn zoon en bij Hemzelf zou veroorzaken.”
·   “Juist het verlies van zijn waardigheid als zoon, bracht hem tot het besef van zijn ware identiteit. (…) Op grond van dit besef koos hij het leven in plaats van de dood.”
·   “Ik kwam tot de kern van de zaak, tot de keuze die voor ieder mens de beslissende keuze is. God zegt: ‘Het leven en de dood stel Ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, door de Here, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven.’”
·   “Het licht op zijn gezicht maakt duidelijk dat ook hij (AG: de oudste zoon) geroepen is tot het licht, maar hij kan niet gedwongen worden.”
·   “Anders dan een sprookje kent de gelijkenis geen goede afloop. Hij plaatst ons oog in oog met een van de moeilijkste geestelijke keuzes van het leven. Ikzelf ben de enige die die keuze kan maken.”
·   “De liefde van de vader dwingt niet. Hoewel hij niets liever wil dan ons van onze innerlijke duisternis genezen, blijven we altijd vrij om onze eigen keuze te maken: in de duisternis blijven of in het licht van Gods liefde treden.”
·   “Ik kan altijd kiezen tussen wrok en dankbaarheid, want God is in mijn duisternis verschenen. (…) Kiezen voor dankbaarheid gaat nooit zonder inspanning.”
·   “Zijn liefde (AG: de liefde van de vader) schenkt de vrijheid om haar af te wijzen, dan wel met wederliefde te beantwoorden.”
·   “Elk moment van de dag sta ik voor de keuze: cynisme of vreugde.”

Autonomie is als het ware één kant van de medaille. Henri schrijft ook over de andere kant. “Wat ik als jongste zoon inzag, zie ik nu, als de oudste zoon, nog veel duidelijker in: ik kan mezelf niet genezen. (…) Ik kan alleen van bovenaf genezen worden, als God van boven tot mij komt. Wat voor mij onmogelijk is, is mogelijk voor God.” “Ik moet gevonden en thuisgebracht worden door een herder die naar mij op zoek gaat. Het verhaal van de verloren zoon is het verhaal van een God die mij zoekt en die niet rust voordat hij mij gevonden heeft.” “Hoewel God de Vader Zelf naar ons toekomt om ons te vinden en thuis te brengen, moeten wij bereid zijn om ons te laten vinden en thuisbrengen.” En deze laatste zin zie je beide aspecten terug: Gods werk en mensen werk (autonomie). 

vrijdag 26 april 2013

Eindelijk thuis: de vader


Henri schrijft in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ dat het schilderij in plaats van ‘De terugkeer van de verloren zoon’ ook de titel ‘Het welkom door de Barmhartige Vader’ had kunnen meekrijgen. “Jezus’ gelijkenis is in feite een ‘gelijkenis van de liefde van de Vader’.” “Zelden werd Gods onmetelijke, barmhartige liefde op een dergelijke aangrijpende manier tot uitdrukking gebracht.” “Elk detail van de gestalte van de vader – (…) – getuigt van Gods liefde voor de mensen, een liefde die er vanaf het begin al is geweest en die er altijd zal zijn.” “Het hart van de vader brandt van een mateloos verlangen om zijn kinderen thuis te brengen.”

Ik ben er van overtuigd schrijft Henri dat “veel van mijn emotionele problemen als sneeuw voor de zon zouden wegsmelten, als ik de waarheid van Gods moederlijke, niet-vergelijkende liefde kon laten doordringen tot het diepste van mijn hart.” “Ik begin nu in te zien hoe radicaal het karakter van mijn geestelijke reis zal veranderen, als ik mij God niet langer voorstel als iemand die zich schuilhoudt en het mij zo lastig mogelijk maakt om Hem te vinden.” Vervolgens stelt Henri zichzelf de vraag: “Accepteer ik wel dat ik het waard ben gezocht te worden?” “Hier raak ik de kern van mijn geestelijke strijd: de strijd tegen de miskenning, de verachting, de afkeer van mijzelf.” “De gelijkenis van de verloren zoon is het verhaal over een liefde die al bestond, voordat er van afwijzing sprake kon zijn en altijd zal blijven bestaan, hoe vaak zij ook wordt afgewezen.”

Lange tijd heeft Henri geleefd in de overtuiging, dat terugkeren naar het huis van de Vader de hoogste roeping is. Maar achter de oproep om terug te keren naar huis gaat nog een andere oproep schuil, namelijk de oproep om zelf de vader te worden. “Vader worden; die uitnodiging is de verrassende conclusie van al mijn bespiegelingen over Rembrandts De terugkeer van de verloren zoon.” “Ingaan in het huis van de Vader houdt in, dat ik het leven van de Vader tot mijn leven maak en dat ik veranderd word tot zijn beeld.” “Worden als de hemelse Vader is niet slechts een belangrijk aspect van Jezus’ leer, het is er de kern van.”

“Jezus is de ware Zoon van de Vader. Wanneer wij de vader worden, is Hij ons voorbeeld.” “Door hem (AG: Jezus) kan ik weer een ware zoon worden en als een ware zoon kan ik groeien tot ik net zo barmhartig word als onze hemelse Vader.” “Verdriet, vergeving en edelmoedigheid zijn (…) de drie wegen waarlangs het beeld van de vader in mij kan groeien. Het zijn drie aspecten van de oproep van de Vader om bij Hem thuis te blijven.”

“Met ontzag sta ik op de plek waar Rembrandt mij heeft gebracht. Hij leidde mij van de knielende, verwonde jongste zoon naar de staande, over hem heen buigende vader; van de plek waar ik gezegend word naar de plek waar ik moet zegenen.” 

donderdag 25 april 2013

Eindelijk thuis: de oudste zoon


Het tweede deel van de geestelijke reis van Henri, zoals beschreven in ´Eindelijk thuis´ gaat over de oudste zoon. Hoe meer hij over de oudste zoon nadenkt, des te meer herkent hij zichzelf in hem. Het kost hem geen moeite om zich te identificeren met de oudste zoon. Ook de oudste zoon raakte verloren en op drift, hoewel hij thuisbleef. “Deze verlorenheid kenmerkt zich door oordelen en veroordelen, door boosheid en wrok, door bitterheid en jaloezie. Niets is zo funest en zo schadelijk voor het hart dan juist deze verlorenheid.” De verlorenheid van de jongste zoon is heel doorzichtig. De verlorenheid van de oudste zoon is veel moeilijker te onderkennen.

“Deze ervaring: niet in staat te zijn binnen te treden in de vreugde van een ander, is de ervaring van een hart vol wrok. De oudste zoon kon het huis niet binnengaan om de vreugde van zijn vader te delen. Zijn zelfbeklag verlamde hem en daardoor kon hij door duisternis worden overvallen.” Henri schrijft dat hoe meer hij over de oudste zoon in hem nadenkt, des te meer hij zich realiseert hoe diep geworteld deze vorm van verlorenheid werkelijk is en hoe moeilijk het is om vanuit zo’n houding terug te keren naar huis. Hij komt tot de conclusie: “ik kan mezelf niet genezen”.
  
“De vader wilde niet alleen de jongste zoon terug, maar ook zijn oudste.” Gods verlangen is om beide zonen naar huis terug te brengen. God houdt van beide zonen zielsveel. Met een onvoorwaardelijke liefde. Henri schrijft over zichzelf: “Ik moet gevonden en thuisgebracht worden door een herder die naar mij op zoek gaat.” Ik moest de verkeerde afhankelijkheid van een menselijke vader opgeven om terug te keren naar waarachtige afhankelijkheid van mijn hemelse Vader. Een vader die hem vrijmaakt om lief te hebben en los te komen van de behoefte om het andere mensen naar de zin te maken en door hen bevestigd te worden.

woensdag 24 april 2013

Eindelijk thuis: de jongste zoon


Henri Nouwen schrijft in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ over zijn geestelijk reis. Een reis die zich voltrekt in drie etappes. Eerst identificeert Henri zijn met de jongste zoon. De verloren zoon die weer thuiskomt. Maar thuiskomen impliceert een vertrek. De jongste zoon vertrekt met de erfenis naar verre oorden, ondanks dat zijn vader nog springen levend is. De jongste zoon geeft blijk van een ‘provocerende opstandigheid’. Hij verlaat zijn (geestelijk) huis. “Thuis, dat is het centrum van mijn wezen, waar ik de stem kan horen die zegt: ‘Jij bent mij liefste zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb’.”

Henri stelt de vraag: “Waar hoor ik thuis? Bij God of in de wereld?” “De liefde van de wereld is een voorwaardelijke liefde en zal dat ook altijd blijven. Zolang ik mijn ware identiteit zoek in de wereld van de voorwaardelijke liefde, blijf ik de slaaf van de wereld, gevangen in de cirkel van proberen en falen.” “Telkens wanneer ik de onvoorwaardelijke liefde zoek waar ze niet gevonden kan worden, ben ik de verloren zoon.” “Het lijkt er bijna op, alsof ik mijzelf en de wereld wil bewijzen dat ik Gods liefde niet nodig heb, dat ik mijzelf wel weet te redden, dat ik volledig baas in eigen leven kan zijn.”

De jongste zoon verliest uiteindelijk al zijn bezitting in een ver en vreemd land. Het bracht zijn tijd door bij de varkens en de mensen beschouwden hem zelfs niet meer als een medemens. Hij stierf bijna van de honger. Hij was op weg naar de dood. Op een gegeven moment kiest hij voor het leven in plaats van de dood. “Het besef dat de vader hem liefhad, (…), gaf hem de kracht om voor zichzelf zijn zoonschap op te eisen, ook al wist hij heel goed dat die aanspraak op geen enkele verdienste berustte.”

Henri schrijft dat kiezen voor het zoonschap echter niet eenvoudig is. “Ik wist dat ik de waardigheid van mijn zoonschap had verspeeld en kon maar niet geloven dat ‘de genade altijd groter is’ dan mijn falen.” “Een van de grootste uitdagingen van het geestelijk leven is Gods vergeving te aanvaarden.” “Om vergeving te ontvangen moet men bereid zijn om God God te laten zijn, om Hem de kans te geven alles te genezen, herstellen en vernieuwen. Zolang ik dat nog gedeeltelijk zelf wil doen, stel ik me tevreden met deeloplossingen, wil ik dagloner worden.”

dinsdag 23 april 2013

Eindelijk thuis: terugkeer van verloren zoon


Henri Nouwen schrijft in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ over het avontuur dat hij beleeft met Rembrandts’ schilderij ‘De terugkeer van de verloren zoon’. Dit schilderij beeldt het verhaal uit zoals dat beschreven is in Lucas 15 : 11 – 32. Het avontuur, de geestelijke ontdekkingsreis van Henri begint in 1983 als hij oog in oog komt te staan met een poster van het genoemde schilderij. Hij herkent zich in de verloren zoon die zich geborgen weet in de armen van zijn vader.

In 1986 maakt Henri kennis met het originele schilderij van Rembrandt en wel in het museum de Hermitage in Sint-Petersburg. Uren zit Henri op een stoel voor het schilderij en neemt hij het tafereel in zich op. Henri schrijft: “Het schilderij nam mij volledig in beslag. Dit moment was inderdaad een thuiskomst.” Henri identificeert zich achtereenvolgens met de jongste zoon, de oudste zoon en de vader. Ook Rembrandt herkent hij in de jongste, de oudste zoon en de vader. In de jongste, de oudste zoon en de vader ziet Henri ook God. Tenslotte houdt Henri ons een spiegel voor. Een spiegel in de gestalte van de jongste zoon, de oudste zoon en de vader. 

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO