zaterdag 7 november 2009

De ene ‘overdoper’ is de andere niet

Ik ben de afgelopen periode intensief bezig geweest met ‘de doop’ en dan vooral de ‘overdoop’. Niet omdat ik dat een boeiend onderwerp vind (daarmee zeg ik dus niet, dat het geen belangrijk onderwerp is), maar omdat een broer in de gemeente zich liet overdopen. In verband daarmee las ik o.a. het boek ‘Over dopen’ van Adrian Verbree.

Verbree zegt in genoemd boek allerlei wetenswaardige zaken. In hoofdstuk 21 gaat hij specifiek in op het onderwerp ‘De doop op herhaling?’. Hij schrijft daarin o.a. het volgende: “Het is iets fijns wanneer mensen, wanneer dan ook in hun leven, (weer) een bewuste keus voor Christus willen maken. En de wens dat op een of andere manier symbolisch te laten uitkomen, is ook te respecteren. Er is niets mis met iemand die op dit punt een kind van zijn tijd is en waarde hecht aan symboliek. Het zou daarom fijn zijn wanneer deze kwestie niet verzandt in een ‘mag wel, mag niet’ rond een tweede doop. Is het niet mogelijk alternatieve symbolen te ontwikkelen? Dan wordt het gevaar van een onbedoeld vertroebelen van een door God geclaimd teken (AG: de doop) bezworen.

Helaas verzandt zo’n kwestie in de praktijk wel heel snel in een ‘mag wel, mag niet’ rond een tweede doop. Soms heb ik daarbij het gevoel (dat gevoel kan dus niet juist zijn) dat mensen zo’n broer liever de gemeente zien verlaten, dan hem vast te houden. Dat mensen nooit nagedacht hebben over een driewegen pastoraat laat staan dit model toepassen. Dat mensen niet openstaan voor verschillen tussen de ene ‘overdoper’ en de andere. Dat we het in de kerk gemakkelijker vinden om een ander (i.c. de ‘overdoper’) aan te spreken op zijn verantwoordelijkheden dan je als kerklid en als kerkenraad bewust te zijn van het onvoldoende handen en voeten geven van je eigen verantwoordelijkheden op dit gebied. Ds. Marten de Vries schreef het al in 2006 in het ND: moeite met de kinderdoop vraagt onderwijs. Zijn wij daarin niet tekortgeschoten?

8 nov. 2009: Ik moet nog iets toevoegen aan deze blog. Verbree schrijft in hoofdstuk 21 over mensen die de waarde van de kinderdoop niet ontkennen en die ook niet van zins zijn de kerk te verlaten.

zondag 1 november 2009

Identiteit en gedrag

Ik wil graag nog even stilstaan bij het interview met Selma Noort: ‘Met alle tanden bloot’. In het interview wordt haar de vraag gesteld: “Laat het geloof u los?” Zij antwoord dan: “Nou, de moraal niet. Wat goed en kwaad is, de naastenliefde, dat zit in mij verankerd. Het is zelfs een beetje moralistisch, (…).

Wat triest dat iemand haar identiteit in Christus verloren heeft, maar er nog wel christelijk gedrag op nahoudt. Het is de wereld op z’n kop. Christelijk gedrag, de moraal, een besef van goed en kwaad, dat is wat er van haar geloof is overgebleven. Werd de God als vriend, als Vader (uit de gelijkenis van de verloren zoon) ingewisseld voor een God die gehoorzaamheid wilde (zoals bij de oudste zoon uit deze gelijkenis)? Werd het haar hardhandig bijgebracht, zoals het interview suggereert?

Keller schrijft daarover in zijn boek ‘De vrijgevige God’. Hij zegt daarin o.a. dit: “Velen hebben de denkvorm van het moreel conformisme beproefd, raakten erdoor vermorzeld, en maakten toen een dramatische stap naar een leven van zelfontdekking. (Volgens Keller staat de oudste zoon voor de weg van het moreel conformisme en de jongste voor de weg van de zelfontdekking. Beiden hebben geen vriend, geen Vader nodig.) Is Selma vermorzelt door de denkvorm van het moreel conformisme en bracht dat haar tot een leven van zelfontdekking? Een leven zonder een (hemelse) Vader die haar vriend wil zijn?

woensdag 28 oktober 2009

Vriendschap en identiteit (2)

In mijn vorige blog schreef ik dat als ik zou moeten kiezen tussen de identiteit van een zondaar en die van een vriend van God, ik zou kiezen voor die van een vriend van God. Wim reageert op deze blog (zie zijn reactie onderaan de blog) en noemt dit het kiezen tussen twee karikaturen. Maar zijn dit wel twee karikaturen? Een karikatuur is een overdreven voorstelling van een zaak of persoon. De door mij geschetste voorstelling komt toch naar voren in het interview met Selma Noort? Selma heeft als tienjarig meisje een beeld van zichzelf als vriend van God. Bij het horen van de woorden ‘gij zijt allen zondaars’ wordt ze heel kwaad. Waarom? Ik denk omdat ze haar identiteit, haar zelfbeeld in duigen ziet vallen. Ze heeft denk ik het gevoel dat ze haar identiteit als vriend van God moet inwisselen voor die als zondaar.

Het gaat mij in mijn vorige blog niet om de verhouding tussen zonden en genade. Het gaat mij om de verhouding tussen identiteit en gedrag. Dat was vooral ook aan de orde in de lezing van Arie de Rover tijdens het mannenweekend. Ik ben het helemaal eens met de stelling dat ons gedrag zondig is en tot de jongste dag zal blijven. Maar hoe zit het met onze identiteit? Is onze identiteit die van een zondaar of wordt onze identiteit ten diepste bepaald door wie wij zijn in Christus? Ben ik een zondaar (identiteit) of een aangenomen kind van God (identiteit) die zondigt (gedrag)? Die vraag meen ik te lezen in het interview met Selma Noort.

Ik denk dat die vraag belangrijker is, dan wij ons vaak realiseren. Arie hield ons voor dat er een relatie bestaat tussen identiteit en gedrag. Je identiteit werkt door in je gedrag (en niet andersom). Als iemand (bewust of onbewust) de identiteit van een zondaar ‘aanneemt’ zal dat dus zijn gedrag beïnvloeden. De zondaar (identiteit) zal eerder geneigd zijn zondig gedrag laten zien dan iemand die begrijpt wat het is om kind, vriend van God te zijn. Iemand die als Jezus is (op Jezus lijkt), zal ook (met vallen en opstaan) het gedrag van Jezus vertonen. Dat kan niet anders.

Wim zegt een tegenstelling te lezen in mijn blogs tussen zonde en genade. Maar leest hij het als een tegenstelling of maak ik er ook echt een tegenstelling van? Het gaat mij er om, dat er juist zorgvuldig omgesprongen wordt met begrippen als zonde en genade. Daarom spreekt het onderscheid goedkope en kostbare genade mij zo aan. Daarom ben ik soms beducht op een teveel benadrukken van de zonde. Daarom denk ik ook dat we een onderscheid moeten maken tussen identiteit en gedrag. Op Jezus gaan lijken is toch niet allereerst iets dat betrekking heeft op gedrag, maar op je identiteit (die vervolgens weer doorwerkt op je gedrag)? Daarmee wordt genade niet goedkoop. Kind van God zijn is alleen mogelijk door genade. Door de oneindig hoge prijs die Jezus voor mij betaald heeft.

maandag 26 oktober 2009

Vriendschap en identiteit (1)

Ik las afgelopen weekend in de ZoZ-bijlage van het ND een interview met Selma Noort: ‘Met alle tanden bloot’. In het interview las ik dit: “Ik weet nog dat de dominee van de kansel riep ‘gij zijt allen zondaars!’. Ik werd zo kwaad. Ik was een jaar of tien en God was mijn grote, glimlachende vriend in de hemel. Hij was nou juist degene die niet zei ‘jij bent lang en stom’. Nee, voor mij had Hij de bloemen gemaakt, het gras en de bomen. Allemaal voor mij. Hij was mijn vriend.

Ik vind het een mooie illustratie bij mijn vorige blog ‘God als je vriend’. Heeft de dominee vertelt in zijn preek dat zonde staat in de context van Gods vriendschap met Selma? Zonde werd en wordt zovaak als een losstaande ‘grootheid’ gepresenteerd, met alle risico’s van dien. Selma is nu bijna vijftig jaar oud en ze heeft haar vriendschap met God verloren.

Ik denk ook dat het een mooie illustratie is bij het mannenweekend van afgelopen vrijdag en zaterdag. Vrijdagavond hield Arie de Rover een lezing over ‘christelijke identiteit’. Selma dacht als tienjarig kind aan God als haar vriend. God was haar vriend en zij mocht Zijn vriend zijn. God was een vriend die haar accepteerde en respecteerde zoals ze was. Dat was haar identiteit in haar ogen. De dominee daarentegen bracht haar iets anders bij: je bent een zondaar. Jouw identiteit is de identiteit van een zondaar. Als ik zou moeten kiezen tussen het geloof van de dominee of dat van (de tienjarige) Selma, dan wist ik wel wat ik zou kiezen. Wie zou niet willen geloven als een kind?

woensdag 21 oktober 2009

God als je vriend

In de ZoZ-bijlage van het ND van zaterdag 10 oktober las ik een interview met Willem Jan van Asselt. In het interview geeft Van Asselt aan dat één thema hem al dertig jaar boeit: vriendschap met God. ‘Het verbond van vriendschap, dat God helemaal uit zichzelf met mensen sluit, moet de kern van de theologie zijn, (…).’ “God verkiest zichzelf te openbaren als een God van vriendschap. Dat is overweldigend. Niet: mag Ik jouw vriendje zijn? Het is niet klef. Maar: Ik ben jouw vriend! Ik noem jullie geen slaven meer, zegt Jezus, maar vrienden.”

Van Asselt geeft ook aan, waarom dit perspectief belangrijk is. “Voor wie denkt vanuit Gods vriendschap zijn zonde en genade geen onderdeel van een statisch systeem, maar van een relatie. Gods toorn is de woede van een vriend. Je gaat ook anders met elkaar om. Het wonder van Gods vriendschap kweekt een bepaalde spirituele luisterhouding. (…) Wat mensen nodig hebben in deze tijden van eenzaamheid, is dat ze weten dat ze gekend en bemind zijn. Wanneer Gods liefde en vriendschap je overweldigt, word je er juist door in beweging gezet.“

Dat is misschien wel de grootste ontdekking die ik in mijn geloofsleven heb gedaan (tot nu toe): het geloof is allereerst en bovenal een relatie tussen God en mensen. God wil een vriendschap­pelijke relatie met mij hebben! God is geen abstracte grootheid, maar een Iemand die echt om mij geeft. Die liefdevol met mij wil omgaan. De woorden van Van Asselt zijn mij uit het hart gegrepen.

zaterdag 17 oktober 2009

De relatie kerk – levensvernieuwing (2)

In mijn vorige blog schreef ik over de relatie tussen het leeglopen van kerken en het niet komen tot een werkelijke vernieuwing van het leven. Dit leeglopen kan te maken hebben met zowel het vertrek van kerkgangers als ook met te weinig of geen aanwas van nieuwe kerkleden. Ook voor deze laatste categorie gaat de hiervoor genoemde relatie tussen leegloop en tekort aan vernieuwing op. Anders gezegd: een tekort aan vernieuwing doet bestaande kerkgangers afhaken én zorgt ervoor, dat er geen nieuwe leden bijkomen.

Ook hierover zegt Graham Tomlin wetenswaardige zaken.[1] “Als een christen leert zijn leven onder de regering van Jezus Christus te leiden, als hij leert zijn perspectief van geld, seks, macht, tijd en eeuwigheid te verleggen, dan zal hij een persoon worden die vragen oproept bij zijn 21e-eeuwse niet-christelijke buren. Een gemeenschap die sterk door diepe en toegewijde sympathie wordt gekenmerkt, door liefde, meeleven en nederigheid, is zeer aantrekkelijk. Ook dit roept vragen op, die leiden tot een gelegenheid om te verklaren waarom het zo gaat. Hoe dan ook, het idee is dat degene buiten de kerk gedrag moeten zien dat opvallend en onverwacht is.”

Ook is er nog een ander verband: “Kerken waar de leden geen geleidelijke verandering verwachten die tot een meer volwassen leven leidt (AG: geestelijke vernieuwing van het leven) en tot geïntegreerde, authentieke levens, evangeliseren niet, hoezeer de top dat ook opdraagt. Als kerkleden weinig in de kerk vinden wat hun leven van maandag tot zaterdag vervult, dan is het niet aannemelijk dat ze anderen meebrengen om daaraan deel te nemen.” Dus de kerkganger spant zich niet in om nieuwe kerkleden te werven.

Op die manier is er sprake van een drievoudig effect als er geen werkelijke (geestelijke) vernieuwing van het leven is: bestaande kerkgangers haken af, er komen geen nieuwe kerkgangers bij en van de kerkgangers die blijven, gaat geen wervingskracht uit naar nieuwe kerkgangers. Hoe belangrijk is het om als kerkganger en als kerk langzaamaan door Gods Heilige Geest weer heel te worden, op Jezus te gaan lijken.

[1] Een kerk die prikkelt – Graham Tomlin

woensdag 14 oktober 2009

De relatie kerk - levensvernieuwing (1)

Taizébroeder Frank zei in het al eerder door mij genoemde interview ook nog iets anders wat mijn aandacht trok: “Ik begrijp Nederland niet meer zo goed. Mensen zijn analyserend en polemiserend en leven niet meditatief. Aan de ene kant klagen over het leeglopen van kerken, aan de andere kant niet tot werkelijke vernieuwing van het leven komen.” Deze broeder legt zo een verband, een relatie tussen het leeglopen van kerken en het niet komen tot een werkelijke vernieuwing van het leven. Een geestelijk leven, een leven waarin van geestelijke groei sprake is, een leven waarin de glorie van de Heer zichtbaar wordt, een op Jezus lijkend leven.

Iemand die zich ook bezig heeft gehouden met de relatie kerk – levensvernieuwing is Graham Tomlin.[1] Hij noemt een reden waarom kerken niet aanspreken (en dus leeglopen): “Er is niet zozeer gebrek aan waarheid – (…) – maar er mist een link tussen de woorden die geuit worden en de levensstijl die daaruit voortkomt: er is gebrek aan authenticiteit, aan diepgang, aan verbinding tussen woord, beeld en werkelijkheid. Botweg gezegd lijkt kerkbezoek soms geen verandering te brengen in de levensstijl van mensen.”

Tomlin geeft ook aan, waarom de relatie kerk – levensvernieuwing een logische relatie is. De kerk moet op Jezus lijken. “Niet alleen de individuele christenen – (…) – maar de kerk als geheel is altijd bedoeld om mensen aan Jezus te doen denken, om de wereld tot haar ware bestemming te roepen, om haar aan de ware koning te herinneren, en om haar een beeld van menselijk leven te schetsen, zoals dat van oorsprong was bedoeld.” De kerk moet dus op Jezus lijken én de kerkganger moet op Jezus lijken. Hoe zal de kerk op Jezus lijken, als er bij kerkgangers weinig werkelijke vernieuwing van het leven zichtbaar wordt? Daarom is levensheiliging, spiritualiteit, een geestelijk leven, geestelijke groei zulke essentiële thema’s voor kerken. Broeder Frank houdt ons de spiegel voor. Hoe is het bij ons gesteld met de kerk en met de kerkganger? Ik stel voor dat wij bij het beantwoorden van deze vraag beginnen met de kerkganger.

[1] Een kerk die prikkelt – Graham Tomlin

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO