maandag 8 februari 2010

Veroordelen werkt statusverhogend


Reinier Sonneveld schrijft in ‘het goede leven’ ook over veroordelen en wel in hoofdstuk 4 - status. Hij schrijft dat het streven naar status (imago, aanzien) er diep bij mensen inzit. Je status kan worden afgemeten aan je dikke auto, je schitterend huis, je succesvolle carrière, je bijzondere baan, etc. Vervolgens stelt Reinier de vraag: “Wat doen we als wij minder status hebben dan anderen?” Hij ziet drie mogelijke oplossingen:
1. Als je volgens het ene ideaal geen hoge status bereikt, spring je naar een ideaal waarbij het wel lukt.
2. Je kunt de strijd min of meer opgeven. Je relativeert gewoon alles.
3. Je maakt een scheiding tussen wie je bent (identiteit) en je daden (gedrag).

Reinier kiest voor de derde oplossing en zegt dat Jezus Christus ons daarin is voorgegaan. Jezus legde de status die hij had af. “Bij Jezus zie ik voor het eerst een mens die wel degelijk idealen heeft (…) maar bij hem zijn er geen losers. Hij lijkt los te leven van status, (…).” Jezus kon zonder jaloezie en statusangst leven. Hij wist dat God hem zag. Zijn Vader was de vaste grond onder zijn voeten. “Gods liefde droeg hem.”

Je mag één zijn in Christus. “Als je van daaruit gaat leven, en jezelf steeds weer oefent dat dit werkelijk vaste grond is, dan zul je steeds minder kwetsbaar worden. Dan hoef je niet meer te veroordelen en is het niet meer nodig anderen uit te lachen. Je hebt al een status.” Je eigenwaarde hangt niet meer af van je auto, je huis, je succes, etc. “(…) je kijkt naar Gods ogen, en zegt: ‘Aha, ik weet het weer, ik ben geliefd.’”

Veroordelen gebruikt Reinier hier in de betekenis van het verhogen van je eigen status, positie, je eigenwaarde. Veroordelen in de zin van het oppoetsen van je identiteit. Maar “werkelijk geloven is ervan doordrongen zijn dat het altijd goed zit en je altijd waardevol bent, hoe dan ook.” Het is niet nodig je identiteit op te poetsen of je status, je eigenwaarde te verhogen, omdat je identiteit vastligt in Jezus. Alleen God kan je eigenwaarde bevestigen!

vrijdag 5 februari 2010

In de woestijn verstomt het oordeel

In ‘De woestijn zal bloeien’ schrijft Henri Nouwen o.a. over de relatie tussen dicht bij mensen komen en oordelen. Over dit onderwerp schreef ik al eerder de blog ‘Oordeel niet’. Toen ik Nouwen las, moest ik hier weer aan terugdenken. Hij schrijft dat mededogen (medelijden) nooit kan samengaan met oordelen, “want oordelen schept afstand, onderscheid, en dat verhindert ons om werkelijk bij de ander te zijn”. Dus dicht bij mensen komen, een relatie op zielsniveau kan niet samengaan met oordelen.

Volgens Nouwen is het pastoraat, onze omgang met anderen, doortrokken met oordelen. “Vaak geheel onbewust delen we onze mensen in in zeer goed, goed, neutraal, slecht en zeer slecht.” Of om een andere indeling te gebruiken: in degelijk (?) gereformeerd, gereformeerd en evangelisch. “Deze beoordeling heeft grote invloed op ons pastoraat (…). Voor we het weten trappen we in de val van de self-fulfilling prophecy.” Degenen van wie wij denken dat ze tot een bepaalde categorie behoren, behandelen we ook zo en op die manier dwingen we hen om zich zo te gedragen als wij hen zien. “En zo wordt een groot deel van ons pastoraat ingeperkt door de oogkleppen van ons eigen oordeel. Deze door onszelf gecreëerde blikvernauwing verhindert ons om beschikbaar te zijn voor mensen en laat ons mededogen verkwijnen.” Nouwen tekent daarbij aan, dat mededogen moeilijk is, “omdat het vraagt om de innerlijke bereidheid om met andere mensen mee te gaan naar de plek waar zij zwak zijn, kwetsbaar, eenzaam en gebroken”.

Nouwen noemt nog een reden waarom we moeten ophouden te oordelen. Als we ons bewust zijn van onze zonden en onze afhankelijkheid van Gods genade, dan vellen we niet een oordeel over de zonden van andere mensen. Een meedogend mens is zich zo bewust “van het lijden van anderen, dat het hem of haar eenvoudig onmogelijk is stil te staan bij hun zonden”.

Maar hoe word je een meedogend mens? Door de Geest. Nouwen beschrijft in genoemd boek de spiritualiteit van de woestijn en noemt drie wegen die leiden naar het leven van de Geest: eenzaamheid (alleenzijn met God), zwijgen (luisteren naar God) en gebed.

woensdag 3 februari 2010

Gereformeerd of christelijk?

De Bruijne schrijft in de Reformatie [1] over de vraag wat gereformeerd is. “Bij ‘gereformeerd’ denken we vrijwel direct aan de Bijbel en de gereformeerde belijdenisgeschriften. Gereformeerd ben je wanneer je daaraan trouw bent. (…) Dit is zeker typerend voor het ‘gereformeerde’. Toch viel het mij op dat het hart van die aanduiding dieper klopt.”

“’Gereformeerd’ betekent in het licht van de Bijbel én van de geschiedenis van de Reformatie eerst iets anders. Het duidt een beweging aan van correctie, vernieuwing en groei. Kerk en christenen gaan op weg vanuit Christus en tegelijk naar Christus, zoals Efeziërs 4 dat zo diep zegt. (…) Overal waar je die ‘reformerende’ beweging opmerkt, sta je voor de dynamiek van het ‘gereformeerde’.”

“Echt gereformeerd ben je niet als je anderen alleen maar formeel en star weet af te meten aan de eigen gereformeerde standaard. Zo’n reformerende beweging bij anderen (AG: De Bruijne doelt hierbij vooral op andere kerkgenootschappen) moet je om Christus’ wil juist herkennen en dankbaar begroeten. (…) Ben je nu bereid om ook zelf in beweging te komen en als het kan samen naar Christus te groeien? Zo niet, dan nadert zelfs voorbeeldige trouw aan de belijdenis de ketterij.”

Wat kan het oppervlakkig zijn om iemand de gereformeerde maat te nemen aan de hand van de Bijbel en de belijdenisgeschriften. Iemand kan ‘zomaar’ te licht worden bevonden in onze ogen. Zullen wij voortaan ook zoeken naar het hart van die aanduiding, die dieper klopt? Bijbel en belijdenisgeschriften, hoe belangrijk ook, zijn slechts middelen die ons moeten brengen bij het doel: Jezus Christus. Farizeeërs maakten in Jezus’ dagen van de wet een doel in plaats van een middel, terwijl het werkelijke doel (Jezus) actief was en aandacht vroeg voor bekering en het Koninkrijk van God. Zullen wij oppassen ons niet te gedragen als moderne farizeeërs?

[1] De Reformatie, jg 85 – nr 12 – 19 december 2009 – Toch een nationale synode!

maandag 1 februari 2010

Meten met twee maten

Ik ben ´het goede leven´ van Reinier Sonneveld aan het lezen. Een bijzonder boek! Hij schrijft o.a. over geld. Reinier schrijft dat volgens Jezus geld blijkbaar eigenschappen van een godheid aan kan nemen en zo een concurrent kan worden van God. “Wie gelooft kan ‘vreemdgaan’ met geld, en geld iets gunnen wat eigenlijk voor God bestemd is. Geld wordt dan onze maîtresse. Juist de veelverdiener heeft dus een probleem. Niemand wordt in de bijbel zo veelvuldig gewaarschuwd als de welvarenden.” Je kunt niet én God dienen én het Geld. In hoeverre bevragen wij in het pastoraat broers en zussen en onderling elkaar naar onze omgang met geld? Mijn inschatting is (bijna) nooit. Jezus geeft toch niet voor niets zoveel aandacht in de bijbel aan de macht van het geld? Het heeft wel alle aandacht van Jezus, maar niet die van ons.

Ik ken een broer die zich voor de tweede keer heeft laten dopen. Dat heeft hij gedaan vanuit een diepe verbondenheid met God. Daar is vast van alles over te zeggen, maar het gaat mij er hierom dat wij deze broer voor de keus stellen: óf berouw óf hij heeft zichzelf met zijn tweede doop buiten de kerk geplaatst. Ik lees nergens in de bijbel dat Jezus aan deze daad (veel) aandacht besteedt, er voor waarschuwt, ons de gevaren van zo’n daad voorhoudt. Waarom geven wij er dan wel zoveel aandacht aan? Ik zeg daarmee niet, dat het ondergaan van een tweede doop altijd goed is, maar wij geven er m.i. wel buitenproportionele aandacht aan. Heeft deze aandacht niet vooral met de mens (en niet vooral met God) te maken?

Meten wij in de kerk niet regelmatig met twee maten? Dat waar Jezus regelmatig aandacht voor vraagt, heeft blijkbaar niet (of nauwelijks) onze aandacht. En dat wat Jezus niet expliciet benoemt, daar doen wij de kerkdeuren achter een gelovige voor dicht. Deze tegenstrijdigheid voelen mensen (onbewust) aan en leidt de aandacht gemakkelijk af van Gods werk in de kerk naar het mensenwerk.

maandag 25 januari 2010

Afscheid nemen van de gemeente

Wat moet ik nu doen als ik het niet meer volhoud in de (plaatselijke) kerk waarvan ik lid ben?

Ik stond in twee blogs stil bij bovenstaande vraag. Is deze vraag nu voldoende beantwoord? Nee, ik stond eigenlijk maar heel beperkt stil bij deze vraag. Met de antwoorden die ik gaf, wilde ik vooral mezelf en anderen voorhouden niet te snel afscheid te nemen van de kerkelijke gemeenschap. Maken we de nood kenbaar? Wat doen we zelf om zaken veranderd te krijgen? Hoe trouw zijn wij naar onze broers en zussen toe? Realiseren wij ons voldoende dat die ander moet en mag leven van genade, maar dat genade ook ons bestaansrecht vormt? Het is mijn grootste wens om te zijn als Jezus. Maar dan ook in dit soort zaken. We delen samen met Christus in zijn glorie, maar ook in zijn lijden.

Maar, ik voel mij ook verbonden met hen die lijden aan de kerk. Wat een strijd, moeite, verdriet kunnen mensen hebben met hoe het gaat in de kerk. Als ze worstelen met vragen zoals Leonie die ook stelt. Als het mensenwerk in de kerk zo overweldigend op je afkomt, dat het haast wel lijkt alsof God daar niet meer aanwezig is. Wat als je structureel niet meer gevoed wordt door de prediking? Wat als de liefde in de kerk bekoeld is of afwezig lijkt te zijn? Als gesprekken moeizaam verlopen of we niet verder komen als het verdedigen van standpunten? Als zaken met de mantel der liefde worden bedekt, die niet met deze mantel bedekt mogen worden? Wat als genade geen vrij spel krijgt?

Ik denk dat ieder voor zich in deze worsteling biddend zijn weg zal moeten vinden. En daarbij Gods leiding in zijn of haar leven moet (leren) zien, zoals ook bij andere belangrijke keuzes en besluiten. Als je dan al biddend en zoekend naar Gods leiding je het besluit neemt om te veranderen van kerkgemeenschap, dan zou ik met Keller willen zeggen: probeer een andere kerk te vinden en doe dat met uiterste zorgvuldigheid. En: Ga met God.

donderdag 21 januari 2010

Over trouw, belofte en genade

Ik wil opnieuw stilstaan bij de vraag is: Wat moet ik nu doen als ik het niet meer volhoud in de (plaatselijke) kerk waarvan ik lid ben?

Het viel mij bij het nadenken over Efeziërs 5 op, hoe radicaal Jezus’ liefdestrouw is. Een trouw tot in de dood. In Efeziërs 5 wordt de huwelijksrelatie tussen een man en een vrouw gespiegeld aan de relatie tussen Christus en de kerk. Trouw is een vrucht van de Geest en zou als het ware toegevoegd kunnen worden aan het rijtje zoals de Bijbel die noemt in Galaten 5: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. De Bijbel betrekt trouw-zijn niet alleen op het huwelijk, maar ook op andere relaties en verbanden. Zou de Heer niet ook trouw van ons vragen aan de gemeente waarvan we lid zijn? We zeggen toch dat niets bij toeval gebeurt in ons leven? We zijn toch ook niet toevallig lid van een bepaalde gemeente? Mogen we daarin niet de hand van de Heer zien?

We kennen de volgende uitdrukking in onze taal: belofte maakt schuld. Als je iets belooft, brengt dat de verplichting met zich mee die belofte ook na te komen. Mensen die geloofsbelijdenis hebben afgelegd, beloofde daarmee dienstbaar te zijn aan de gemeente. Die belofte is op zichzelf gezien toch ook een reden om waar mogelijk lid te blijven van je gemeente?

Soms is er sprake van verstoorde verhoudingen. Of lijken tegenstellingen niet overbrugt te kunnen worden. Of hebben we teleurstelling en kwetsuren opgelopen in de kerk. Is het zeker dan niet heel belangrijk te bedenken dat niet alleen die ander voor de volle 100% afhankelijk is van genade, maar jijzelf ook? Dat maakt je nederig en bescheiden naar die ander, waarmee communicatie nauwelijks mogelijk lijkt of waarmee je een verstoorde verhouding hebt of waarvan de prediking zo beperkt is. Wij hebben allemaal de neiging om naar die ander te wijzen, maar ook jij en ik zijn afhankelijk van de genade in Christus.

dinsdag 19 januari 2010

Onvrede: woorden en daden

In mijn vorige blog haalde ik Keller aan, die in zijn boek ‘In alle redelijkheid’ schrijft, dat een christen niet zonder een kerk kan. Niet zonder een deelnemen aan een gemeenschap van gelovigen. Daarmee blijft er nog wel een vraag over en wel de vraag die Leonie m.i. stelt in haar reactie op mijn blog ‘De kerk: er bestaat geen alternatief’. Die vraag is: Wat moet ik nu doen als ik het niet meer volhoud in de (plaatselijke) kerk waarvan ik lid ben? Ik schreef al, dat ik in een aantal blogs terug zou komen op deze reacties. Hier mijn eerste blog.

Het valt mij op, dat er behoorlijk wat verontruste broers en zussen zijn onze gemeente. Nu wil ik zo graag dat ze hun zorgen en verontrusting onder woorden brengen, er woorden aan geven. Waarom? Om zo kenbaar te maken wat zij als probleem, als knelpunt ervaren in de gemeente. Want als ze het niet onder woorden brengen, als het gesprek niet gevoerd wordt over dit soort zaken, dan zal er zeker geen veranderingen (menselijker wijs gesproken) optreden. Dan komen mensen op een gegeven moment als vanzelf uit bij de vraag: Ik houd het niet meer vol, wat moet ik doen?

Soms zie ik verontruste gemeenteleden die hun verontrusting hier en daar wel voorzichtig onder woorden brengen, maar die woorden zo weinig omzetten in daden. Die zo weinig daadkracht ontplooien om de door hun gesignaleerde knelpunten in het kerkelijk leven onder de aandacht te brengen, gesprekken er over aan te gaan met kerkenraad en er alles aan te doen om hier verandering in te bewerkstelligen. En dan min of meer plotseling vertrekken naar een andere gemeente. Maar als een gemeente je aan het hart gaat, mag toch van je verwacht worden dat je werk maakt van je onvrede en verontrusting allereerst in je eigen gemeente? Trek aan de bel! Breng het onder woorden! Klim in de pen! Voeg de daad bij het woord.

Dit heeft natuurlijk ook een andere kant. Woorden en daden zijn ook voor kerkenraad en predikant onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gemeenteleden voelen soms feilloos aan als woorden en daden niet met elkaar in overeenstemming zijn. De geloofwaardigheid van kerkenraad en predikant staat op het spel als woorden niet concreet gemaakt worden (in de vorm van daden) of als woorden en daden niet sporen met elkaar. Soms worden er wel woorden uitgewisseld, maar vindt er niet echt een gesprek van hart-tot-hart plaats. Toch zijn zulke van-hart-tot-hart gesprekken typisch iets wat hoort bij kerk-zijn. Gemeenteleden mogen terecht verwachten dat op die manier het gesprek gevoerd wordt.

De volgende blog zal in dit verband gaan over het thema ‘vertrouwen’.

Arjan Gelderblom © 2008 Template by Dicas Blogger.

TOPO